Geschiedenis, achtergronden en ander leesvoer.

2

 

AGITPROPAGANDA ALS ONDERDEEL VAN ONS  ERFGOED

 

Als het dan al een etiket moet opgeplakt krijgen, ziet het Brussels Brecht-Eislerkoor zich als een  progressief strijdkoor,  een koor met een boodschap van solidariteit en gelijkheid. Het situeert zich in de traditie van de arbeiderskoren en meer bepaald van de Agitprop.

Agitprop, wat betekent het,  waar komt het vandaan en wat doen we ermee?    

Kris dook in allerlei archieven  en naslagwerken; zijn bevindingen deelt hij met ons.

           

 

AgitProp poster "Toen en Nu" 1920

 

 

Van AgitProp over spreekkoren

naar een volksopera

 

 I.           AgitProp

 

Met de nederlaag van Duitsland aan het eind van de Eerste Wereldoorlog trad de republiek van Weimar in de plaats van het keizerrijk.

De jaren twintig zagen de opkomst van de de AgitProp-troepen in het kader van de algemene ontwikkeling van een “arbeiderscultuur”.  Het keizerlijke Duitsland van voor 1918 had ten opzichte van een arbeidersemancipatie steeds met discriminatie en intolerantie gereageerd. 

Lenin had daartegen opgeroepen om culturele ontwikkeling als vast onderdeel van socialistisch partijwerk te beschouwen en de Russische Communistische Partij had daarom in 1923 een sectie Agitatie en Propaganda opgericht.

Hieruit ontwikkelde zich een AgitProp-concept dat als proletarische cultuuruiting arbeiderstheater, -poëzie en -liederen met elkaar wilde verbinden.  Onder invloed van de Oktoberrevolutie en de oprichting van de KPD (Kommunistische Partei Deutschlands)  in 1918 hadden ook in Duitsland  een aantal kunstenaars uit de burgerlijkeintelligentsia aansluiting gezocht bij de arbeidersbeweging en nieuwe impulsen gegeven aan het revolutionaire amateurtoneel. Een aantal prominente schrijvers, acteurs, regisseurs, componisten en schilders waren gaan samenwerken met arbeideracteurs.  Om er enkele te noemen, Bertolt Brecht, Ernst Busch, Hanns Eisler, Erwin Piscator, Hans Rodenberg, Maxim Vallentin,  Helene Weigel en Friedrich Wolf. 

 

 

Erwin Piscator en Nollendorftheater -Foto Sasha Stone - 1929

 

Anders feest vieren : massaspel en spreekkoren

 

Tegelijkertijd probeerden de arbeiderspartijen nieuwe vormen van feestelijkheden te vinden en hun bijeenkomsten een extra glans te geven met artistieke interventies. 

Ze lieten zich daarbij inspireren door de theaterexperimenten van de linkse intelligentsia.  Zo ontstonden  twee typische proletarische ontstonden, het Massaspel en het Spreekkoor.  Gedichten bijvoorbeeld werden afwisselend door een koor en solostemmen gereciteerd waardoor er meer dynamiek gecreëerd werd.  Vanaf 1924 en 1925 groeiden deze communistische spreekkoren uit tot acteergroepen waarin toneel en zang even belangrijk werden om gerichte propaganda voor de Communistische Partij te maken.

 

De proletarische revue: satire en inzicht in de sociale processen

 

Er ontstond zoiets als een proletarische revue waarin entertainment voor brede lagen van de bevolking gecombineerd kon worden met de mogelijkheid om in te spelen op de plaatselijke actualiteit.  Satire werd het middel om desillusie uit te drukken en montage was de uitgelezen techniek om complexe sociale processen te duiden.

De KPD en de KJVD (Kommunistischer Jugendverband Deutschlands) organiseerden in 1925 een aantal rode revues die qua spelstructuur een voorloper waren van wat de AgitProp-troepen zouden brengen.

 

Het amateurtoneel dat in de jeugdbewegingen van de jaren twintig ontstaan was, gaf ook een extra impuls aan de arbeiderscultuur.  De opheffing van de scheiding tussen podium en publiek, de spaarzame omgang met rekwisieten, het gebruik van muziek, mime en dans, de voorkeur voor het gebruik van dialect, het zijn allemaal elementen die door de AgitProp-troepen overgenomen werden.  In 1924 was daarenboven de Rote-Front-Kämpfer-Bund (RFB) opgericht met als doel de agitatietechnieken van de arbeidersbeweging te verfijnen.  Ernst Thälmann bouwde deze bond uit tot een proletarische massaorganisatie waarin tamboerkorpsen, schalmeikapellen, blaasorkesten en fanfares ontstonden om bijeenkomsten op te luisteren en de strijdgeest aan te scherpen. Er werden bestaande arbeidersliederen gezongen, maar er werden ook liederen speciaal voor de RFB gecomponeerd. Er werd een aparte jeugdafdeling van de RFB opgericht naast een vrouwenafdeling die geleid werd door Clara Zetkin.  Linkse kranten en tijdschriften publiceerden de partituren en overal werden deze liederen gezongen. 

 

 

Rote Front Kämfer Bund 1924

 

De revue "Roter Rummel"

 

In 1924 werd de Revue Roter Rummel (“rood kabaal”) gecreëerd.  Erwin Piscator was door de KPD gevraagd om met het oog op de komende parlementsverkiezingen voor een politiek-satirische avond te zorgen.  Omdat de Communistische Partij in tegenstelling tot de andere partijen nauwelijks over financiële middelen voor een verkiezingscampagne beschikte, zocht men andere wegen om het kiezerspubliek te bereiken.

Piscator koos voor de Revue als actievorm, omdat het “zonder scrupules toeliet om muziek, zang, acrobatiek, sneltekenen, sport, projectie, film, toneel en toespraak te combineren”.  Oud materiaal werd vermengd met nieuw en gemonteerd tot iets eigentijds.  De muziek was gecomponeerd door Edmund Meisel en bestond ten dele uit bewerkte, oude arbeidersliederen.

                                                        

Een bespreking uit Die Rote Fahne : "Ja, het is een revue.  Een revue in veertien taferelen, die de gewone behoefte aan massavermaak dient.  Maar in elk van de

14 taferelen zijn de schijnwerpers op ernstige of burlesk-komische wijze gericht op problemen uit het proletariërsleven.  Vragen worden gesteld, oplossingen gesuggereerd, het denken wordt gestimuleerd, de toeschouwer wordt begeesterd en meegesleept.(Geciteerd in Hoffmann en Hoffmann-Ostwald 1973, 158)

 

Das Rote Sprachrohr en Hanns Eisler

 

Het eclatante succes van Roter Rummel kreeg overal navolging en de revuevoorstellingen schoten in heel Duitsland als paddenstoelen uit de grond. 

Via improvisatie werden bestaande revues aangepast aan lokale omstandigheden.  Parallel hiermee maar ook geïnspireerd door de revuebeweging ontstond in Berlijn de eerste AgitProp-troep Das RoteSprachrohr (de rode toeter).  Aan de stichting was een gastoptreden voorafgegaan van het Russische sovjetgezelschap de Blauwe Bloezen (Синяя блуза - sinjaja bloeza) uit Moskou.  In 1927 was Das Rote Sprachrohr te gast op een festival in Hamburg en trad er op met een revue die nog in de lijn lag van Roter Rummel.  De muziek sloot aan bij populaire schlagermelodieën en de revolutionaire arbeiderdichter Maxim Vallentin was verantwoordelijk voor de teksten.  Hij bedacht de term AgitProp-troep.

 

Kort daarna ondersteunde DasRote Sprachrohr een staking in de kolenmijnen in Duitstalig Tsjechië.  Het werd een groot succes en het Centraal Comité van de KPD vroeg hen in 1928 een tijdschrift te starten met daarin actuele analyses, het beste agitpropmateriaal (teksten, partituren, scènes) en een aanzet tot uitwisseling en samenwerking.  In 1929 werd de troep uitgenodigd voor de Internationale Dag van de Jeugd in de Sovjet-Unie.  Vanwege de grote vraag naar optredens breidde de troep het aantal leden uit.  In 1932 toerde een deel van de troep negen maanden door westelijk Duitsland.  Een ander deel bleef in Berlijn en bouwde ook een “kindertroep” uit.  Ze organiseerden workshops en ondersteunden massastakingen.  Maxim Vallentin schreef later dat na de machtsovername door de Nazi’s een deel van de troep ondergronds ging en verder actief bleef samen met een andere troep uit Berlijn, Der Rote Wedding.  Sommige leden kwamen om  in de concentratiekampen, terwijl andere tijdig hadden kunnen emigreren..  Zo ontstonden in de Sovjetunie Duitse AgitProp-troepen als Truppe 31 en Kolonne Links die voor de Duitse minderheden in de plaatselijke Kolchosen speelden.

 

Verander de Wereld, hij heeft het nodig

 

Hanns Eisler was lid van Das Rote Sprachrohr sinds het einde van 1927 en werkte er tot begin 1929 als componist, pianist en dirigent.   Later zei hij dat hij bij Das Rote Sprachrohr leerde om muzikaal nauwkeurig en efficiënt in een groep samen te werken.

 

Hij vond er nieuwe impulsen om proletarische muziek te schrijven en introduceerde samen met Ernst Busch het strijdlied in het repertoire van de AgitProp-troepen.  Geleidelijk aan namen de troepen de functie van de Arbeiterchöre over. 

Doel van het zingen was niet meer om concerten te brengen, maar om politieke verandering teweeg te brengen.  Voor Eisler was de AgitProp-troep efficiënter dan een concertkoor, omdat ze erin slaagden om toevallige voorbijgangers bij hun straatacties te betrekken.  Wanneer deze passanten dan uiteindelijk de liederen meezongen, was dit een teken dat de actie geslaagd was.  Het strijdlied moest voor Eisler het orgelpunt zijn van een leerproces waarbij de theorie wordt omgezet in de praktijk.  Daarom moest het strijdlied verstaanbaar, kernachtig, precies en energiek zijn.   Eisler nam Brechts visie over dat het publiek niet mag meegesleept of overrompeld worden. 

 

Strijdliederen moeten tot discussieaanzetten en daarin slaagden de AgitProp-troepen juist heel goed :  "Man muß kleinen Einheiten von Arbeitern das als gut erkannte Lied lehren und ihnen die Aufgabe setzen, es den Massen einzustudieren" (Brecht o.J,, Bd. 19, 405).  Het Lehrstück en de AgitProp-traditie vloeiden als het ware samen in het strijdlied.

 

 

Bertolt Brecht

 

Kunstenaarsduo Brecht/Eisler en het Leerstuk

 

Vanaf 1929/1930 werkten Eisler en Brecht dan enger samen bij het schrijven van Leerstukken. Die Massnahme (De Maatregel) bijvoorbeeld zagen ze niet meer als een theatervoorstelling, maar als een politieke meeting : voor toeschouwers én spelers moest het een leerrijke ervaring worden.  Agitatie was het uiteindelijke doel om zo de marxistische theorie daadwerkelijk voor de bevrijding van de arbeiders in te zetten.  Eisler wantrouwde emoties als middel om dit te kunnen bereiken en hij inspireerde zich voor zijn muziek op de voorbeelden uit de AgitProp-traditie.  Zo geeft hij de koorzangers bij De Maatregel devolgende aanwijzing : “Anzustreben ist ein sehr straffes, rhythmisches, präzises Singen.  Der Sänger soll sich bemühen, ausdruckslos zu singen, d.h. er soll sich nicht in die Musik einfühlen wie bei einem Liebeslied, sondern er soll seine Noten referierend bringen, wie ein Referat in einer Massenversammlung, also kalt, scharf und schneidend" (Eisler 1973, 168)

 

De instrumentale begeleiding is ook AgitProp gekleurd :  3 trompetten, 3 hoorns, 2 bazuinen, piano en slagwerk (pauken, grote en kleine trom, roertrom, bekken en tamtam). 

Voor Eisler moest de muziek een scherpe koude grondtoon hebben, zodat de teksten goed naar voor komen en voor alle toeschouwers verstaanbaar zijn. 

 

Toen het de AgitProp-troepen verboden werd om nog op te treden, zocht Eisler andere kanalen om het massalied te verspreiden.  De film Kuhle Wampe is zo’n voorbeeld.  De AgitProp-troep Das Rote Sprachrohr zingt er het Solidaritätslied en stimuleert de arbeiders om mee te zingen.  Zo slaagt Eisler erin ook met dit lied een brug te slaan tussen reflecterende en agiterende kunst.

  

In de DDR heeft subversieve AgitProp geen voet meer aan de grond gekregen.  Volgens de officiële doctrine was de revolutie gelukt en waren subversieve cultuuruitingen dus niet meer nodig. 

 

Toch bleef de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED) een AgitProp-afdeling behouden.  Zijn belangrijkste realisatie was de tv-uitzending Der Schwarze Kanal dat wekelijks op antenne ging vanaf 21/3/1960 en na 1519 afleveringen op 30/10/1989 gestopt werd.  Tijdens het Schwarze Kanal werd West-Duitsland in AgitProp-stijl op de korrel genomen.

 

Hierna nemen we het lijflied over van de AgitProp-troep "Das Rote Sprachrohr" :

 

 

Wir sind das rote Sprachrohr


(gesungen)

Sprachrohr der Massen sind wir
Wir sprechen aus, was euch bedrückt
Wir sprechen aus, was euch befreit
Wir sind das rote Sprachrohr
Sprachrohr der Massen sind wir

 

(gesprochen)

Kein Gott, kein Bonze, kein Minister
Frisst aus der Futterkrippe ungestraft


 

(Im Sprechgezang mit verteilten Rollen)

Denn wir posaunen's raus
Wir stöbern auf
Wir schwefeln aus
Mit Spott und Ernst


 

(Alle gesungen)

Wir rufen euch zum Klassenkampf!

Wir sind das rote Sprachrohr
Sprachrohr der Massen sind wir

"Das Rote Sprachrohr" in actie

 

-------------------------------------------------------

II  Socialistische zangkringen in Vlaanderen

 

AgitProp wordt door sociologen gerekend tot de ‘sociotheatrale opvoeringen’.  Dit zijn theatervormen waarvan de sociale impact even belangrijk wordt geacht als de artistieke omdat ze omvangrijke groepen kunnen mobiliseren.  Vreemd genoeg stelt kenner Thomas Crombez (in ‘Van den tekst moet een veroveringskracht uitgaan op de massa’, Massaspel, spreekkoor en openluchttoneel tijdens het interbellum, 2010)) vast dat er in ons taalgebied nog veel onderzoek moet gebeuren om een goed beeld te krijgen van wat er op dat vlak in Vlaanderen gebeurde.  Er waren veel “socialistische zangkringen”, maar ook die geschiedenis moet nog geschreven worden.  In een apart artikel schetsen we van die zangkringen een exemplarische geschiedenis aan de hand van de Marxkring uit Gent en het nog bestaande Zangkoor Cultuur uit Antwerpen.

 

Socio-theatrale opvoeringen namen in Vlaanderen tijdens het interbellum vooral de vorm aan van massaspel, massadans en spreekkoor.  Daaronder vallen relatief kleine producties met 10 à 20 spelers (bv. spreekkoor, bewegingskoor) over middelgrote (openluchtopvoeringen met tientallen figuranten of verscheidene koren) tot grote en zelfs immense (massaspelen met honderden of zelfs duizenden deelnemers).

In Nederland was de term lekenspel ingeburgerd, omdat deze sociotheatrale producties meestal door niet-professionele theatermakers (“leken”) werden opgezet.  Het genre was ‘uitgevonden’ door de Russische AgitProp en verder uitgewerkt in de Duitse arbeidersbeweging (zie apart stuk hierover). Via Nederland doet AgitProp-achtig toneel zijn intrede in Vlaanderen, maar al heel gauw recupereren katholieke en vlaams-nationalistische kringen het genre. 

In Vlaanderen is dit heel opvallend en het is eigenlijk binnen de Kristene Arbeidersjeugd onder leiding van Jozef Cardijn dat de massaspelbeweging haar hoogtepunt bereikt.

 

Herman van Overbeke bijvoorbeeld ensceneerde een “openluchtavondspel” van het Lam Gods aan de Gentse Sint-Baafskathedraal (1930) en in 1938 werd het eerste Heilig Bloedspel als massaspel geregisseerd te Brugge.  Daarnaast zijn er ook opvoeringen met een sterk nationalistische of nationaal-socialistische inslag (soms overlappend met het katholieke veld).  De meest prominente manifestatie ervan vormde de opvoering van De Leeuw vanVlaanderen door Frans Meire (naar Hendrik Conscience) op de Antwerpse Grote Markt in juli 1939.

Andere auteurs en regisseurs binnen dit veld zijn Wies Moens, Ferdinand Vercnocke en Staf Bruggen.

 

De socialisten vonden het massaspel bij uitstek geschikt om uitdrukking te geven aan de droom van  een nieuwe socialistische gemeenschap.  De katholieke beweging vond in de lijn van Rerum Novarum dat een massaspel paste bij een authentieke geloofsgemeenschap.  Vlaams-nationalisten wilden er hun geïdealiseerd beeld van de volksgemeenschap mee benadrukken.  Voor alle drie is het gemeenschapsvormend element dus belangrijk.  Toch maken ze natuurlijk met een ander doel en op een andere manier gebruik van het medium.  Volgens Walter Benjamin wil het communisme de massa empoweren tot één grote groep van kunstproducenten én kunstconsumenten, terwijl het nationaal-socialisme enkel de massa vanop afstand wil besturen door middel van een aantal briljante regisseurs.

 

"Fascisme esthetiseert de politiek, terwijl het communisme juist de kunst politiseert."

Walter Benjamin

 

 

 

 

 

AgitProp in Vlaanderen

 

Hier te lande waren er wel socialistische gelegenheidsprojecten, maar slechts enkele groepen bouwden echt een repertoire op dit terrein op. 

In Antwerpen waren er Groep ‘111’ (onder leiding van Lon Landau) en Wending (Lode Rigouts). Op feestelijke gelegenheden declameerden zulke groepen ook strijdvaardige teksten en liederen, bijvoorbeeld bij het vertrek van linkse militanten naar de Spaanse Burgeroorlog. (spreekkoor Arbeidersjeugd over Spaanse Burgeroorlog)  Groep ’111’ repeteerde op een zolderkamer boven een kolenhandelaar in een steegje aan de Kroonstraat in Borgerhout.   De groep beoefende in die jaren met veel idealisme en weinig middelen het genre van het ’spreekkoor’. Ook Luc Philips en Cara van Wersch waren nog aan deze groep verbonden.  Lon Landau (1910-1945) was een joodse schilder, regisseur en decorontwerper bij de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Antwerpen.  Hij overleed in het concentratiekamp Bergen-Belsen in 1945.  Landau werkte onder meer samen met de componist van Joodse afkomst Daan Sternefeld. 

Lode Rigouts (1904-1970) was gespecialiseerd in spreekkoren en AgitProp-theater.  In 1940 was hij een van de initiatiefnemers van Jeugdtheater De Zonnebloem, later werd hij regisseur bij De Nevelvlek.  Lode Rigouts kende het werk van Brecht zeer goed. In de winter van 1937-1938 had Wending reeds een eerste dramatische lezing gebracht van De Moeder van Brecht.  Overigens had de KNS in 1938-1939 reeds de Driestuiversopera gespeeld in een regie van Ernst Busch.  Later zou Lode Rigouts nog met Walter Tillemans samenwerken.

 

Lon Landau, die de leiding had over de theatergroep 111 in Antwerpen

 in 1945 overleden in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

 

Goede contacten met de Duitse ‘lekendans’-beweging (Rudolf von Laban, Albrecht Knust, Kurt Jooss, Sigurd Leeder) onderhield de Vlaamse danshervormster Lea Daan.  Zij nodigde mensen als Knust uit om haar Antwerpse dansschool te bezoeken.  Laban ging van het principe uit dat ‘iedereen kan dansen’ en dus ook recht op lichamelijke expressie heeft.  Dat leidde Lea Daan tijdens de jaren dertig als vanzelf naar workshops en bewegingskoren voor de Socialistische Arbeidersjeugd.  Daan en haar leerlingen begeleidden groepjes adolescenten bij de creatie van eenvoudige bewegingskoren als Mens en machine (Antwerpen, choreografie door Jenny Laroche).  Echt grootschalige evenementen zijn in de socialistische context in Vlaanderen veeleer schaars, hoewel zeker melding moet gemaakt worden van een massaspel als Koning Arbeid, geschreven door Daan Boens en opgevoerd door de Gentse Multatulikring in 1932.

 

Hierna volgt een uittreksel uit: HET SPREEKKOOR door L. GEYSEN (1932) dat een vrij nauwkeurig beeld schetst van de opkomst van de spreekkoren in Vlaanderen:

 

“Er komt in Vlaanderen langzaam belangstelling voor het spreekkoor.  Alleen zoekt men soms naar een inhoud van dit woord.  Wat is dat nu wel : spreekkoor ?  Teruggebracht tot zijn meest simplistischen vorm : het voordragen in koor van een tekst, “het gezamenlijk zeggen van een gedicht”.  Om u aanstonds een voorbeeld te geven dat duidelijk spreekt en dat meteen den oorsprong van een soort spreekkoor aangeeft, vertel ik u hoe bv. in Frankrijk en ook wel in Rusland een spreekkoor ontstond.  Dit is niet de eenige weg, het is een weg. 

In 'n groote fabriek maakt een monteur -- eenvoudige zanger -- een hekeldicht op generaal Joffre.  Enkele vrienden (een viertal) maken van het kwartiertje schafttijd gebruik om voor hun verzamelde werkgezellen dit dicht voor te brengen.  Zij zeggen -- met enkele gebaren -- tegelijk den tekst.  Het is een communistisch stukje en het lijdt geen twijfel dat de dichterlijke monteur en zijn declameerende vrienden eveneens communisten zijn.  Hier halen wij den grond aan waarop alleen een spreekkoor kan gebouwd worden :  de eenheid van denken en voelen van den dichter en de uitvoerders.  Zonder dit geen spreekkoor.  De techniek is hier nog eenvoudig :  men reciteert te zamen denzelfden tekst.

Enkele vertaalde en bewerkte teksten uit het Russisch bewijzen dat daar ook een zelfde procédé bij het ontstaan van het dichtwerk en ook voor de techniek van de uitvoering is vast te stellen.  Ik las hier een zeer sterk gedichtje :  “Nous sommes la canaille. Dieu merci !”  Het doet alleen pijnlijk aan als wij mogen voortgaan op dat wat wij in La semaine dernière (een Fransch communistisch weekbladje) aantreffen -- dat de communistische productie laboreert aan bitter pessimisme dat nooit aan opbouwen denkt.  Wij kunnen er nochtans op aan dat er nu in Rusland wel een verheerlijkende poëzie bloeit (ook in de film stelt men dat vast).

In Duitschland hebt gij een ander procédé en een mijns inziens veel uitgebreider en veel intenser beoefenen (of beoefend hebben ?) van het spreekkoor.  Enkele honderden of enkele duizenden komen samen om een dichtwerk, gewoonlijk niet door een gelegenheidsdichter, maar door een gevestigd schrijver, voortgebracht, te reciteeren.  Liever te spelen.  Het bewegingskoor staat voor de deur.  Weer den grond :  eenheid van voelen.  Socialistische jeugdgroepen, katholieke of christelijke organisaties, treden op als dusdanig.  De stof beantwoordt aan de wereldbeschouwing van 't organisme.  In 't algemeen zijn deze nogal sterk agressief en heel wat minder beschouwend.  (Dit weer voortgaande op de enkele Duitsche spreekkoren die tot in Vlaanderen doorgedrongen zijn).  Hier is de techniek van de uitvoering niet meer zoo eenvoudig.  Wij komen hier somtijds zeer dicht bij de tooneeltechniek terecht :  het worden spelen, drama's.

In Vlaanderen hebben wij het spreekkoor gekend zij het dan ook in hoofdzaak als onderdeel van een tooneelvertooning.  (...)  Dient opgemerkt dat wij nog niet de zelfstandige spreekkoren vaststellen.

Enkel maar toepassingen bij een theaterstuk.  Jammer genoeg ben ik niet voldoende ingelicht omtrent de socialistische bedrijvigheid op dit terrein.  Wel weet ik dat de Antwerpsche tak uitvoeringen realiseerde met honderd vijftig uitvoerders, dit reeds jaren geleden.  En dat dit jaar er een bewegingskoor Prometheus van Roland Holst, onder de leiding van de danseres Lea Daan voor wat de beweging betreft, met zeer groot succes werd opgevoerd.  Gust de Muynck had reeds jaren terug den tekst ingeoefend bij dezen groep.  Hij was volledig bij de Duitschers in de leer geweest.

Wellicht heeft het zijn nut mijn bevindingen aangaande spreekkoor mee te deelen.  (...)  De eerste maal dat ik van spreekkoor tot bewegingskoor overging was met Het lied van Hiawatha, Nederlandsen van Gezelle. Hier monteerde ik De bruiloft, Osseo en Hongersnood.  Verder een Jeremiade.  Het vreemde van dit geval is het welslagen in de zaal.  Het was overtuigend. 

Welk was nu het procédé ?  Het verhaal wordt in het algemeen door eén verteller voorgedragen (gespeeld, dit is met 'n persoonlijke emotie tegenover den inhoud), en de groep neemt de emotie die uit het stuk moest resulteeren bij den toehoorder en speelt deze.  Dus niet in de eerste plaatsen verbeelden wat er gebeurde -- (al was in Hongersnood b.v. dat wel een voornaam element), maar wel de emotie van den toehoorder aangeven.  De emotioneele teksten (beschouwingen, uitroepen) werden in groep overgenomen.  Mijn uitvoerders waren allen jonge, levenslustige menschen, juist dat wat paste voor b.v. De bruiloft.  De verteller was niet altijd dezelfde of niet steeds één stem.  Als het noodzakelijk was nam een vrouwenstem of een andere mannenstem den tekst over en reciteerde verder.  De gebaren waren de spontane natuurlijke gebaren aangepast aan de tooneelrealiteit.  Minder beeldende dan gevoels-gebaren.  Wij staan hier heel dicht bij het theater.  Mag ik wijzen op de gelijkenis van deze methode met de regie- en speelopvatting van den auteur Brecht.  (Het is toch Brecht ? Zie daarover «Hooger leven», jaargang 1932).  Deze auteur, weeral een communist, doet zijn werk voor een gedeelte verhalen, plots weer spelen, dan weer verhalen.  Reeds lang loop ik met deze werkwijze in mijn hoofd en wellicht komt het volgend seizoen hier een voorbeeld van.

Het gebrek van deze methode van spreekkoor was het ontbreken van de grondidee die door de uitvoerders moest gepropageerd worden en het ontbreken van een bijzonderen spreekkoortekst.  Dit als spreekkoor gezien ! (Het kon daarom wel goed theater zijn).

 

Lode Geysen :

Mag ik wijzen op de gelijkenis van deze methode met de regie en speelopvatting van den auteur Brecht.

Het is toch Brecht ?

 

Tot slot van dit overzicht over Vlaanderen nemen we graag een socialistisch spreekkoor op. 

Heel wat schrijvers hebben spreekoren gemaakt, zo bijvoorbeeld Achilles Mussche of Julien Van Nevele die er ook na de oorlog bleef schrijven voor de socialistische jeugd.

 

 

 

ADDENDUM: LE THEATRE PROLETARIEN:SPREEKKOREN IN FRANSTALIG BELGIE

 

Als we het hebben over een periode waar de partijen nog unitaristisch waren, is het ook interessant even te kijken over de communautair-culturele barrière heen. De tendensen die we in de Vlaamse agitprop en de spreekkoren herkennen, zijn ook terug te vinden in het “théâtre prolétarien” dat zich in het Franstalige landsgedeelte ontwikkelde uit de Russische en Duitse agitprop.

Opvallend is dat het “théâtre prolétarien” dat eveneens ontstond tijdens het interbellum, veel langer heeft overleefd en zelfs een nieuw elan kreeg na de grote staking van 1960-1961. Een ander kenmerk is dat het zoals in Vlaanderen begon als een vorm van amateurtoneel binnen de jeugdbeweging en de arbeidersbeweging in het algemeen, maar later werd overgenomen door beroepsensembles en –acteurs die zich in grote mate lieten inspireren door het Berliner Ensemble van Helene Weigel en Bertolt Brecht. Op het repertoire stonden Belgische dramaturgen als Albert Aygueparse en later Jean Louvet, maar ook Louis Aragon.

 

Het artikel dat we hierna overnemen , komt uit een Lettre d’information électronique de la Société belge des Amis d’Aragon – n° 1 – juin 2007.Het schetst de geschiedenis van het arbeiderstoneel in (franstalig) België en over het specifieke karakter van het “choeur parlé théâtralisé”, een Belgische specialiteit, naar het schijnt. En natuurlijk brengen we aan het einde van dit hoofdstuk ook een spreekkoor dat Albert Aygueparse in 1935 schreef over het Plan Van Hendrik De Man..

 

 

Le Théâtre Prolétarien de Belgique et Aragon

 

C’est semble-t-il War Van Overstraeten, le secrétaire général du Parti Communiste, qui demanda en 1925 à Albert Ayguesparse et au peintre et décorateur Charles Counhaye de monter une troupe de théâtre d’agitation et de propagande, un théâtre d’amateurs dont tout vedettariat serait banni. C’est ainsi que naquit le Théâtre Prolétarien, auquel collaborèrent très vite l’écrivain Augustin Habaru et Charles Plisnier. Après un an, Ayguesparse se récusa et en 1926, Van Overstraeten proposa à Fernand Piette, qui travaillait alors au théâtre du Parc, de prendre le projet en charge.

Le Théâtre Prolétarien a d’abord joué des pièces d’auteurs : Hinkerman d’Ernst Toller et Asie de Paul Vaillant Couturier. Hinkerman décrit la situation misérable du prolétariat allemand après la guerre de 14-18. La pièce avait été interdite à Bruxelles, elle fut cependant jouée une seule fois, avec de grandes difficultés (mais, aussi, un grand succès), à Anderlecht.

Les membres du Théâtre Prolétarien décidèrent ensuite de créer eux-mêmes leur répertoire, et de développer la technique du choeur parlé pour toucher le public de la rue, l’informer sur les événements politiques, le sensibiliser et l’amener à agir. Pour éviter la phrase/slogan qui risquerait d’être ennuyeuse, la troupe créa un Journal Vivant où elle d’interprétait les faits politiques de la semaine avec humour et dérision, dans de courts sketches mettant en scène deux personnages populaires, Madame Puce « qui ne sait jamais rien » et Madame Mouche « qui sait toujours tout ». Ces sketches étaient joués dans les différents locaux des cellules communistes et dans tous les endroits où il était possible de se déplacer avec un minimum d’accessoires.

Des membres du Théâtre Prolétarien se travestissaient parfois en membres de l’Armée du Salut et, en ville, jouaient et chantaient de manière ridicule des parodies de psaume. Les badauds (jusqu’à 300 personnes) se retenaient de rire car ils croyaient avoir réellement affaire à l’Armée du Salut. A la fin du spectacle, les acteurs démystifiaient le public et entamaient un débat politique. Autre sketch : un acteur s’improvisait peintre sur la plaine des manoeuvres à Bruxelles. Deux autres compères se posaient derrière lui, commentaient la toile, puis entamaient peu à peu le dialogue contre l’armée avec les soldats en promenade attirés par le travail de l’artiste.

De 1927 à 1932, la troupe circulera partout dans la région bruxelloise, se déplaçant toujours à pied ou en camion pour aller dans le Borinage, mais rarement dans la région liégeoise qui était trop éloignée.

Leur premier grand voyage à Moscou en 1933 sera en partie autofinancé, en partie payé par l’Association Internationale des théâtres Ouvriers. Une cinquantaine de troupes du monde entier participèrent aux Olympiades du Théâtre Ouvrier, qui se déroulaient au Grand Théâtre de Moscou devant une foule considérable. Le Théâtre Prolétarien belge y présenta le spectacle Grève au Borinage, pièce écrite par Gaston Vernaillen (secrétaire national au Secours Ouvrier International et auteur des sketches du Journal Vivant).

 

III. Socialistische zangkringen

 

 

Socialistische Zangkring Gent 1930

 

Een exemplarische geschiedenis aan de hand van de Marxkring uit Gent (1914 - 1974) en de Socialistische Zangkring Kultuur uit Deurne (1950 - tot heden)

 

Met onze bescheiden studiegroep die documentatie bij de productie Vive la Sociale verzamelde, kunnen we geen uitvoerige geschiedenis van de Socialistische Zangkringen schrijven.  Opvallend is vooral dat die geschiedenis nog niet geschreven is.  Daarom kozen we voor een exemplarische geschiedenis aan de hand van twee “cases” : de Marxkring uit Gent en de Zangkring Kultuur uit Deurne.  Leuk is dat de twee geschiedenissen elkaar via de Anseelevrienden even kruisen. 

 

In 1952 werd De Vlaamse Federatie van Socialistische Muziekkorpsen en Zangkringen (VFSMZ) opgericht.  De zangkringen hadden binnen de federatie een eigen werking.  In 2000 ging de federatie op in Vlamo, Vlaamse amateurmuziekorganisatie.  Op dat moment waren er nog ongeveer 100 harmonies, fanfares, drum- en majorettenkorpsen en zangkringen aangesloten.  De laatste voorzitter van de federatie was Renaat Landuyt.  Vlamo overkoepelt nu alle muziekkorpsen.  Het zangkringgedeelte van de Federatie kreeg echter geen plek in Koor&Stem.  Het lijkt wel of de geschiedenis van deze zangkringen met het overlijden van haar laatste bezieler Lode Van Doren in 2008 tot een einde gekomen is.

 

De tekst hieronder is bijna letterlijk overgenomen uit twee bronnen. 

Ten eerste de Inventaris van het archief van het Socialistisch Mannenkoor Marxkring - Gent (1914-1974) (S/1982/004) Goedele De Swaef  Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis (1989).

 Ten tweede van de historiekpagina van de website van het zangkoor Kultuur : http://www.design2use.com/nascimento/joomla/

 

 

Socialistisch Mannenkoor Marxkring

 

Op 6 februari 1887 werd Edward Anseele veroordeeld door het assisenhof van Oost-Vlaanderen voor zijn zogenaamde Brief aan de Moeders.  Na zes maanden gevangenisstraf kwam hij vrij en dat werd natuurlijk gevierd ! Een opvoering van Aan den Volksvriend Edward Anseele werd door ruim 200 zangers en zangeressen opgevoerd.  Tijdens die cantate broedde geleidelijk het idee om een Socialistische Zangkring op te richten in Gent.  Een jaar later, in 1888, werd die gedachte werkelijkheid.  Na een partijfeest in het circus De Drie Sleutels stichtten o.m. Jules De Clercq, de gebroeders Vermeersch en nog enkele anderen het Socialistische Mannenkoor Marxkring.  Paul De Keukelaere was de eerste dirigent.  Van in het begin werden strijdliederen en -koren aangeleerd en was het de bedoeling om niet enkel partijfeesten en -optochten op te luisteren.

Men wou welbewust een bijdrage leveren aan de ontvoogding van de werkende klasse.  Of zoals het toen nog welluidend in de beginselartikelen klonk, wilde men “mede te helpen aan de verzedelijking der werkers, door het veraangenamen van ons aller strijd”. 

 

Met deze ideeën in het achterhoofd richtte de Marxkring in 1892 een wedstrijd in voor het dichten van een Zang aan de Arbeiders opgedragen.  De toenmalige liberale burgemeester van Gent verbood de uitvoering ervan in zijn stad en zo gebeurde het dat een nog jonge Jef Vander Meulen de première van zijn gedicht Arbeidersstrijdzang in Ledeberg moest brengen.  Vander Meulen moet een diepe indruk nagelaten hebben, want niet veel later boden de beheerders van Vooruit hem de leiding aan over hun Harmonie. Korte tijd later mocht hij eveneens de Marxkring dirigeren.  Met Jef Vander Meulen aan het roer zette het Mannenkoor een tandje bij om een “hoger kunstpeil” te bereiken.  Na zijn Arbeidersstrijdzang volgde de ene cantate na de andere, zo onder meer :  Vooruit’s roem, De Arbeid, Meikantate, Pro Memoria,…

  

Wereldoorlog I

 

Ondertussen nam de Marxkring ook deel aan diverse zangwedstrijden waarbij men diverse prijzen in de wacht sleepte.  In 1914 kende de Marxkring een ongemene bloei, maar toen brak WO I uit en kwam er een einde aan het verhaal.  De kring bleef wel concerten inrichten in het Feestpaleis (Vooruit), maar door de vele opeisingen door de Duitse bezetters zag het bestuur zich genoodzaakt om de werkzaamheden te schorsen.  Het einde van de oorlog in 1918 betekende echter een snelle heropleving.  Naast verschillende optredens in het Feestpaleis, waren er onder meer de jaarlijkse concerten op de Kouter op 15 augustus en de vele Internationale Zangtornooien in de Franse Schouwburg, hetzij als deelnemer of als inrichter.

 

Omstreeks het 40-jarig jubelfeest konden de kunstconcerten van de kring rekenen op de actieve medewerking van de beste kunstenaars van de Franse Schouwburg, dit dankzij de vele tussenkomsten van de toenmalige bestuurder van de schouwburg !  1931 betekende een dieptepunt in de geschiedenis van Marxkring :  kunstleider Jef Vander Meulen stierf.  Na een korte overgang onder Adolf Hoefman, kwam de leiding over het koor in 1932 in handen van L. Torck, die het werk van Vander Meulen op een waardige wijze wilde voortzetten.  Zo voerde hij de zangers op de banen van de moderne smaak en straalde zijn werk een zekere durf uit.  Naast het verwerven van enkele prijzen op zangwedstrijden, werd de Marxkring eveneens aangenomen door het prille N.I.R. voor live-uitzendingen, wat hun naambekendheid alleen maar ten goede kwam !

 

Jef Vandermeulen

 

Met het uitbreken van WO II werden alle werkzaamheden opnieuw stilgelegd.  Het culturele leven in het Feestlokaal van Vooruit was onmiskenbaar verbonden met de naam Jozef Vander Meulen.  Daarom achten we het belangrijk om zijn leven even kort te belichten.  Jef, of Joseph, Vandermeulen werd geboren op 24 maart 1869 in de volksherberg Het Hertje aan de voet van het Gravensteen.  Op negenjarige leeftijd trok hij naar het Koninklijk Conservatorium van Gent waar hij onder meer de eerste prijzen behaalde voor altviool (1887) en fuga (1889).  Dat Vandermeulen in de wieg was gelegd voor de muziek bewees hij door al op vijftienjarige leeftijd zijn eerste muziekstukken te componeren.  Zijn talent benutte hij door driemaal deel te nemen aan de prestigieuze prijs van Rome.  Een keer behaalde hij er de eerste prijs met Andromède (1891) en twee keer de tweede prijs met respectievelijk Lady Macbeth (1893) en Comala (1897).  Zijn muziekpedagogische carrière aan het Koninklijk Conservatorium begon hij in 1896 als monitor voor notenleer.  Vervolgens werd hij adjunct-leraar (1919) en leraar Harmonie (1921).

 

Vandermeulen, geboren in een arbeidersmilieu, zou zijn hele leven actief blijven in de socialistische beweging.  Zo was hij, naast het socialistisch mannenkoor Marxkring en Harmonie Vooruit, eveneens dirigent bij de Nelliekring (de vrouwelijke tegenhanger van de Marxkring), de Van Artevelde’s zonen, de Victoria en het Van Crombrugghe’s Genootschap.  Samen met Florimond Van Duyse startte hij de Liederenavonden voor het Volk op.  Een verdienste van Vandermeulen was ongetwijfeld het feit dat hij gewone arbeiders in contact bracht met muziek van Ludwig von Beethoven, Wagner, Puccini, …  Vaak werd hij gezien als dé factor die de repertoires van zowel de Marxkring als de Harmonie Vooruit op een hoger niveau wist te brengen.  Zo omschreef Johan Lefèvre Vandermeulens grootste verdienste als “het ontwikkelen op kunstgebied van eene geheele werkersbevolking”.  Naast een duidelijk rode stempel beriep hij zich ook op zijn Vlaamse roots.  Zo componeerde hij op aanvraag van de BWP in 1902 de cantate Op de Groeninghekouter.  Jef Vandermeulen schreef onder meer orkestwerken, oratoria, toneel- en gelegenheidsmuziek, liederen, zangspelen, opera’s, … Op 26 september 1931 overleed hij.

 

 

Jef Vandermeulen

 

Na wereldoorlog II

 

Heel veel muziekpartituren, bewaard in de Marxkringzaal (in 1953 Jef Van Der Meulen-zaal genoemd, in de Vooruit) werden verbrand door de nazi’s.  Met schaarse middelen werd in oktober 1944 opnieuw gestart.  Er werden opnieuw kunstconcerten georganiseerd. In mei 1947 vervoegde de pianist Raoul Sinia de groep.  De kring werkte op 12 oktober 1947 in Brussel mee aan het feest ter gelegenheid van de Veertiendaagse Propaganda voor Verfraaiing van de Werkplaatsen en de Verbetering van het Lot van de Arbeiders.  Dit feest werd georganiseerd door het ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg (toen onder de socialistische minister Leon Elie Troclet) in het Paleis van Schone Kunsten.  In februari 1948 behaalde de Marxkring de enige plaats in tweede afdeling, ter gelegenheid van het Provinciaal Zangtornooi.  De inhuldiging van het Anseelemonument op 27 juni 1948 was de aanzet tot het oprichten, in september, van het gemengd koor de AnseeleVrienden, dat in de jaren 1950 nauw samenwerkte met de Marxkring.

 

Uit tijdschriften die bewaard gebleven zijn uit de periode 1951-1952 kan worden opgemaakt welke activiteiten plaatsvonden.  In 1954 werd Leon Torck (leider van zowel de Marxkring als van de AnseeleVrienden) benoemd tot directeur aan het Koninklijk Conservatorium in Gent.  Fernand De Poppe volgde hem als dirigent op.  Waarschijnlijk is de Marxkring eind de jaren 1950 (1958 is het laatste jaar waarin er nog iets van terug te vinden is) samengesmolten met de AnseeleVrienden, onder welke naam het koor ook verder bestond.

  

Emiel Vergeylen, 18 jaar lang voorzitter van de AnseeleVrienden gaf in 1966 die taak door aan Gilbert Temmerman.  De toenmalige secretaresse Elodie Moerdijk, vertelde toen dat het koor zijn laatste kerstconcert (elk jaar sinds 1956) heeft gehouden in 1970 en dat het kort daarna werd opgedoekt.  De algemene achteruitgang van het verenigingsleven werd toen aan de opkomst van de televisie geweten. 

 

Socialistische Zangkring Kultuur

 

Hier sluiten we aan met de historiek van Socialistische Zangkring Kultuur Deurne zoals die op hun website te vinden is.  Onder voorzitterschap van Eugeen Peeters werd op 14 september 1950 de Socialistische Zangkring Kultuur-Deurne gesticht. Het gebeurde officieel met een publicatie in het Belgisch Staatsblad.

 

Onder leiding van dirigent René Milio begon het koor enthousiast met de instudering van het eerste lied De lindeboom van Frans Schubert en na drie maanden hard repeteren volgde reeds in de feestzaal van de Grijspeerstraat een uitvoering van het beginrepertoire samen met de Gentse AnseeleVrienden.  Onverpoosd werd herhaald en in 1951, de kring is amper één jaar oud, neemt Kultuur deel aan een Peter Benoit-herdenking en samen met de Antwerpse zangkringen aan het grote feestspel De kraaiende haan in het Sportpaleis en dit naar aanleiding van Camille Huysmans 80ste verjaardag.  Met dit optreden zal het begin gelegd worden van de Federatie, idee die in 1954 werkelijkheid is geworden.  De activiteiten gaan verder in stijgende lijn.  In 1952 na een overwinning van de socialistische partij bij de gemeenteraadsverkiezingen wordt besloten naast het koor een toneelafdeling op te richten.

 

Van 1953 tot 1957 worden het jaren van intense werking.  Zo zal Kultuur deelnemen aan de pas ingerichte zangtornooien van de provincie Antwerpen en door de jury bevorderd worden tot de uitmuntende en ereafdeling en dit met de gelukswensen van de jury. Kultuur zal, natuurlijk met succes een uitvoering geven op de Expo 58.  Maar ... donkere wolken trekken samen boven Kultuur-hemel :  de voorzitter-stichter Eugeen Peeters overlijdt.  Hij zal opgevolgd worden door Maurice Dequeecker, de latere burgemeester van Deurne.  IJverig wordt verder gerepeteerd en Kultuur neemt samen met andere federale kringen enkele malen deel aan de uitvoering van Wereld in groei (Lode Verstraete - Lode Van Doren).  Vermelden we terloops dat René Milio de eerste secretaris werd van deze federatie.

 

De zestiger jaren brengen andermaal hoogtepunten in het kringleven.  Zo herdenkt de kring samen met de Soc. Harmonie De Werker-Antwerpen de 80-ste verjaardag van Jan Broeckx in de Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen.  Vanzelfsprekend werd het 10-jarig bestaan in 1961 gevierd met een kunstconcert in de Expohal te Deurne.

De zestiger jaren brengen andermaal hoogtepunten in het kringleven.  Zo herdenkt de kring samen met de Soc. Harmonie De Werker-Antwerpen de 80-ste verjaardag van Jan Broeckx in de Koninklijke Vlaamse Opera van Antwerpen.  Vanzelfsprekend werd het 10-jarig bestaan in 1961 gevierd met een kunst- concert in de Expohal te Deurne.  De reputatie van Kultuur drong door tot in Nederland en zo werd in 1964 in Zeist-Nederland medegewerkt aan de herdenking van het 50-jarig bestaan van de Arbeiderszangvereniging Kunst na Arbeid-Zeist.  Helaas, in januari 1966 moest René Milio om gezondheidsredenen ontslag nemen als dirigent.  Zijn taak werd overgenomen door Jef Arnold, die tot dan toe de klavierbegeleiding verzorgde.  Onder zijn leiding verzorgde Kultuur voor de T.V. een opname van In memoriam Jan Broeckx.

Op 31 oktober 1966 overleed René Milio, de eerste dirigent van Kultuur.  Het verblijf in Breendonk en het concentratiekamp tijdens de oorlog hadden zijn gezondheid gekraakt. De werking gaat verder.  Onder leiding van Jef Arnold wordt verder herhaald en in 1971 kan Kultuur zijn 20-jarig bestaan herdenken. 

 

De oudste kringen dragen namen van de grote denkers van de arbeidersbeweging of ze klinken als werkgroepen.  Ze wortelen in een verleden waar de zangkringen in de eerste plaats haarden van verzet waren tegen de kapitalistische maatschappij.  Het strijdlied, het socialistisch lied vierde er hoogtij. Samen opgaand met de gehele arbeidersbeweging, schreden ze naar het licht en wat eens voorbehouden bleef aan enkelen werd het goed van velen.  Het arbeidende volk uit zijn ellende en armoede opgestaan, ging een betere toekomst tegemoet.  Het kon deelachtig worden aan de geestelijke rijkdommen van de mensheid.  In die geest werd Kultuur geboren.

Socialistisch zijn ongetwijfeld, niets verloochenen van het verleden, maar de ramen wijd openen voor alles wat muziek - zoetste der kunsten - ook aan de arbeiders als hoogste vreugde kan bieden.  Wegens de moeilijke periode moest de herdenking van het dertigjarig bestaan in 1981 noodgedwongen zich beperken tot een opvoering door de toneelafdeling van het toneelspel Zachtjes met de deuren.  Samen met de zangkringen Antwerpen, Boom en Berchem werd een zeer geslaagd concert gehouden in Heltersberg (Duitsland - Pfalzerstreek).  Onder hoede van de Naturfreunde-Heltersberg werd een verblijf aldaar georganiseerd.

 

1982.  Samen met De Volkskreet-Kiel werkte men in 1982 mede aan een huldeconcert Lode Van Doren, naar aanleiding van diens 50-jarig dirigentschap van de harmonie De Rode Garde-Wilrijk.  Ook in datzelfde jaar nam het socialistisch koor deel aan het eerste koorfestival van de stad Antwerpen in Deurne.

 

1983.  Andermaal een zware klap.  Dankzij de morele en materiële steun van schepen Mangelschots geraakten zij er zonder kleerscheuren door.

   

Bij de aanvang van het werkingsjaar 1985 telde Kultuur (zang en toneel) 58

werkende leden.  De werking nam een sterke uitbreiding.  Uit de talrijke uitvoeringen vermelden wij enkel :

- viering honderd jaar SP in het Antwerpse Sportpaleis :  een massafeest met honderden militanten als medewerkers en duizenden sympathisanten uit alle hoeken van Vlaanderen.

- koorontmoeting van de federatie in de stad leper.

- 35-jarig bestaan met een concert onder leiding van Armand Nevejans en met de medewerking van de dansgroep Terpsichore onder leiding van Yvette Van Dingenen.

- een optreden met een klein koor in de gevangenis Begijnenstraat te Antwerpen en aparte uitvoeringen door Nieke Stolle, Theo Martinet, Jaak Van Thielen en Regina Buelens.

En zo belanden wij in de periode ‘86 - ‘90.  John Mangelschots wordt voorzitter in opvolging van de overleden oud-burgemeester Maurice Dequeecker.  Kultuur mocht de zesde Koorontmoeting van de federatie organiseren in het Cultureel Centrum Ter Rivieren.  Deze koorontmoeting was voorzeker een der meest geslaagde van de federatie.  De volgende grote manifestatie was de koorontmoeting te Turnhout en ditmaal ingericht door Svelto-Turnhout.  Hier werd de samenzang geleid door Hyacintha Kersmaekers.  Datzelfde jaar herdacht de Antwerpse SP de 80 jaren van Jos Van Eynde :  Kultuur was present.  In 1988 werd de federale Koorontmoeting ingericht door September ’77-Geel.  Ook hier werd deelgenomen door de aangesloten kringen, Kultuur natuurlijk ook, en werd de samenzang geleid door Fanny Ghijs.

 

De presentaties gingen onverminderd voort, in stijgende lijn, te veel om in detail te treden.  We schrijven 1 maart 1988 het eerste nummer van Zang-Info verschijnt, een federaal mededelingenblad, bedoeld als band tussen de aangesloten kringen. 

En At last op 13 oktober ‘89 neemt Kultuur deel aan het groot Jubileumconcert naar aanleiding van het 35-jarig bestaan van de federatie en van de muziekkorpsen. 

In het Cultureel Centrum De Kern te Wilrijk zongen 200 zangers en speelden 130 muzikanten een uitgelezen programma met als hoogtepunt voor wat de zang betreft - een uitvoering van de cantate Wereld in groei en dit onder leiding van de toondichter en componist van ons clublied Lode Van Doren (° 15/12/1910  + 10/09/2008).

 

 

 

IV. In Eislers voetsporen na de oorlog in de Lage Landen

 

Hoe was het in Vlaanderen na de oorlog gesteld met Eislers drieluik :  strijdliederen, AgitProp en geëngageeerd muziektheater ?

 

Nederland en de Rode Rakkers

 

In Nederland waren na de Tweede Wereldoorlog en na de oprichting van de PvdA op 9 februari 1946 wel dertig lekencabaretgroepen actief om het gedachtegoed van de partij ook langs die weg uit te dragen.  Ze kregen ook veel steun en mogelijkheden langs de VARA, de socialistische omroepvereniging die in 1925 was opgericht en waarin tot 1980 de PvdA vertegenwoordigd was in het bestuur.   Op 7 november 1948 werd het voorstel van Evert Vermeer, secretaris en later ook voorzitter van de PvdA, aangenomen om een Landelijk Bestuur van al die cabaretgroepen te vormen.  De Utrechtse afdeling van de PvdA was zo enthousiast na een voorstelling van De Knijpkat uit Rotterdam dat de onderwijzer Cor Baan de opdracht kreeg om R.R.-Cabaret ofte De Rode Rakkers uit de grond te stampen.  Cor Baan schreef enkele liedjes en na twee maanden oefenen werd op 29 maart 1947 het eerste optreden verzorgd.  De Rode Rakkers werden al snel de meestsuccesrijke AgitProp-cabaretgroep.  Toch oefenden ze bescheiden elke donderdag gewoon thuis bij de familie Willekes.  Daar waren ook alle benodigdheden opgeslagen zoals kostuums, decors, schmink en verlichting.  Zelfs de decors werden in de huiskamer van de familie Willekes gefabriceerd.

 

Naast de reguliere cabaretvoorstellingen in zalen, ontstonden er ook de wagenspelen.  Deze spelen werden opgevoerd in de buitenlucht op een vrachtwagen die was omgebouwd tot een rijdend toneel. Zo trok men ook de provincie in.  De gebruikte teksten werden eerst door de staf van Evert Vermeer gekeurd, alvorens ze mochten worden gebruikt in het land.  Ook was er de voorwaarde dat de cabaretgroepen alleen mochten optreden voor partijafdelingen in het land.  Ondermeer door de steeds hoger wordende transportkosten en de steeds lagere recettes werd het steeds moeilijker het hoofd boven water te houden en gaven de Rode Rakkers hun 380ste en laatste voorstelling op 11 Mei 1962 voor de partijafdeling Amsterdam-Slotervaart.

 

Vlaanderen en de geëngageerde muziek

 

Een soortgelijke traditie is er in het naoorlogse Vlaanderen amper.  Niels Klerkx laat in zijn licentiaatsthesis “Er kwamen andere tijden. Politiek en sociaal engagement in de popmuziek in Vlaanderen in de periode 1964-1974” (2008) het engagement in de Vlaamse muziek beginnen met het nummer Protestrock van The Seabirds uit 1960.

Het lied was gericht tegen het verbod op toegang tot danszalen voor jongeren onder de achttien jaar.  Ook Jaap van de Merwe in zijn onvolprezen boek Gij zijt canaille, heeft men ons verweten, situeert een revival van het geëngageerde lied in de Lage Landen in de jaren 60.

 

Engagement is vooral terug te vinden bij de zogenaamde tweede generatie kleinkunstenaars.  De zangers van de eerste generatie werden hoofdzakelijk geïnspireerd door het Franstalige chanson, met onder meer Jacques Brel en Georges Brassens als grote voorbeelden.  Hugo Raspoet en KoR van der Goten schreven ook wel meer geëngageerd liedteksten.  De tweede generatie debuteerde in de jaren zestig.  Ze lieten zich sterk inspireren door Angelsaksische voorbeelden, maar grepen ook terug naar de volksmuziek uit de 19de en begin 20ste eeuw (denk aan de drie W’s : Wannes, Walter, Willem).

 

De provobeweging

 

Een andere inspiratiebron was de de provobeweging die in Amsterdam ontstaan was.  Peter Bronkhorst zei hierover in Humo : “Provo is het tarten van de tegenstander zodat hij zich toont zoals hij is”.  Ook in België ontstonden vanaf 1965 lokale provogroepen in Antwerpen, Gent en Brussel.  In tegenstelling tot Nederland was er in België een duidelijke band tussen geëngageerde zangers ende provobeweging.  In Antwerpen was dat rond De Muze, stamcafé van Ferre Grignard, en Het Pannenhuis waar Wannes van de Velde zijn medemuzikant Walter Heynen ontmoette.  Ook in Brussel bestond er een provokern.  Voorman Herman Claeys richtte de Free Press Bookshop waar illegale boekjes met geëngageerde songteksten werden verkocht.  Deze boekenwinkel werd eind jaren zestig omgevormd tot het anarchistencafé De Dolle Mol.   In Gent was er een kleine provokern waarin ondermeer Guido van Meir en Mong Rosseel actief waren.  Guido Van Meir was de tekstschrijver van Roodpoot en kreeg later bekendheid als schrijver en Humo-medewerker.  In een interview met ’t Liedboek in 1971 legt hij zijn bedoelingen met Roodpoot uit :  Een politieke beatgroep die zich rechtstreeks tot de arbeiders in de fabrieken zou richten, die bij stakingen en bezettingen ter plaatse liederen zou brengen waarin de situatie kritisch geanalyseerd zou worden en die de arbeiders bewust zou maken en oproepen tot de revolutionaire strijd.”  Met Roodpoot zongen ze een lied gericht tegen de B.O.B.  Dit nummer baseerden ze op CIA Man van The Fugs (een verbastering van the F*cks).  “Who can kill a general in his bed C.I.A., C.I.A.”

werd :

Wie staat er in de regen B.O.B. B.O.B. ! 

Mijn vriend wie heb je tegen, B.O.B. B.O.B. ! 

Wie staat er in de portiek, wie maakt ons zeker ziek, B.O.B., BOB ! 

Waar staat hij ? 

In de regen ! 

Waar staat hij ? 

In het portaal : aan de kant van het kapitaal.

 

 

Vuile Mong en Zijn Vieze Gasten

 

 

Mong Rosseel werd drummer van de groep, maar besloot samen met anderen een

buurthuis op te richten in de Sleepstraat in Gent waar ze een link wilden leggen tussen studenten en arbeiders.  Ze speelden er vaak nog oude nummers van Roodpoot.  Op deze manier ontstond in 1971 een geëngageerde theatergroep die de naam The Bubble Knubbel Coöperation of Sound Wave ende Woepie inc. Vuile Mong en zijn Vieze Gasten Audiovisueel Circus mee kreeg.  Later werd dat Vuile Mong en zijn Vieze Gasten.  Het buurthuis verdween, maar de theatergroep bleef bestaan.  In 1974 kwam er onverwacht commercieel succes toen hun lied Het Apekot een hit werd :  De school dat is een apekot, parlez vous  //  De apen zitten twee aan twee, parlez vous  // De grootsten aap die zit van voor  // En doet de zotste kuren voor, inke pinke parlez vous. In de jaren zeventig en tachtig trokken Mong en zijn Vieze Gasten door het land met een circustent waarin ze hun opvoeringen brachten.  Sinds de jaren negentig toeren ze van zaal tot zaal en van school tot school met hun vormend toneel.  Het collectief blijft voortleven in het theater van De Vieze Gasten in de Gentse buurt de Brugse Poort.  Dit is een theaterzaal en buurthuis dat optredens, theatervoorstelling, optochten en dergelijke organiseert.  Ze hebben ook een eigen fanfare, De Propere Fanfare van de Vieze Gasten.

 

Zitten Roodpoot en Vuile Mong nog vrij duidelijk in een AgitProp-traditie, dan sloeg Mistero Buffo in 1972 in het muziektheaterwereldje in als een geëngageeerde bom.  Op 16 november 1972 werd het gecreëerd in het kleine zaaltje van de Muntschouwburg.

 

Het was een vrije productie die tot stand was gekomen onder impuls van Muntdirecteur Huysman.  Het enorme succes gaf in februari 1973 aanleiding tot de vorming van de Internationale Nieuwe Scène, die prompt met Mistero Buffo in binnen- en buitenland optrad.  Nog in 1973 creëerde de INS De ballade van de grote en kleine poppen, ook van Dario Fo, in een productie van het Masereelfonds.  Zingen en geëngageerd theater hoorden weer samen en nog onlangs werden de liederen uit Mistero Buffo terug opgepoetst door het Antwerpse solidariteitskoor Hei Pasoep.

 

En zo is Eislers cirkel met AgitProp, geëngageerd muziektheater en strijdliederen weer rond.

 

 

 

V. HET BRUSSELS BRECHT-EISLERKOOR EN DE ZORG OM ZIJN ERFGOED

 

Hanns Eisler was een muzikale duizendpoot.  Hij schreef filmmuziek, werken voor orkest, cabaretsongs en zelfs het volkslied van de DDR.   Maar hij wilde met zijn muziek ook bijdragen aan de revolutionaire arbeidersbeweging Hij had daarvoor drie werkinstrumenten :  het strijdlied, de agitprop en het leerstuk.

 

Wat doet een Brecht-Eislerkoor daarmee anno 2012 ?  Is Eislers werk deel van het erfgoed of leeft het nog en inspireert het onze kooractiviteiten ? En tot slot is er de volksopera die zich voor een deel laat inspireren door de  Driestuiveropera van Bertolt Brecht en Kurt Weill.

 

Het strijdlied: muziek als wapen

 

We zingen de liederen nog.  Verschillende Eislerliederen staan op ons  repertoire en warmen de gemoederen probleemloos op.  Het Solidariteitslied natuurlijk, maar ook het Eenheidsfrontlied of het Bankenlied, het Loflied op de Dialectiek en het Vredeslied, om er maar enkele te noemen.  Sommige composities lenen zich er ook toe om ze voor een gelegenheidstekst te gebruiken, bv. het Bankenlied bij een Europese Topconferentie of recenter het Solidariteitslied op België toegepast.  Strijdliederen komen tot hun recht op straat, aan het militaire hek, bij betogingen en acties, maar ze klinken ook goed in een zaal waar gedebatteerd wordt, waar een viering gehouden wordt, waar moed en strijdlust van pas komen.  En dan mag uiteraard Auf den Strassen zu singen niet ontbreken waarop we nu een eigen koortekst van Geert Van Istendael zingen Ons koor zwijgt niet.

 

Natuurlijk zingen we ook strijdliederen van andere origine : partizanenliederen, liederen uit de burgerrechtenbeweging, vakbondsliederen, vredesliederen, milieuliederen, ...

Maar het valt wel op dat er in ons repertoire weinig nieuwe muziek bijkomt die expliciet als strijdlied gecomponeerd wordt.  Stop the War! is een voorbeeld dat door Frederic Rzewski in 2003 gecomponeerd werd onmiddellijk na de invasie in Irak.  Rzewski situeert zich zoals Eisler in de klassieke-muziektraditie.  In Nederland is er Louis Andriessen, hoewel Laat toch vrij die straat, dat we wel eens van hem gezongen hebben,toch al van 1974 dateert.  Wellicht is er de laatste tientallen jaren meer rechtstreekse input geweest vanuit de brede sociale en protestbewegingen, wat dan ook een ander soort strijdliederen oplevert.  De vredesbeweging en dan vooral de Britse schonk ons nieuwe liederen (bv. Can’t forbid us to sing, Greenham Common, jaren 80).  De Zotten Oorlog van De Nieuwe Snaar (1981) is een voorbeeld van bij ons.  Ook uit Groot-Brittannië komt het door ons veel gezongen vierstemmige romantische Raise your Banner (John Tams, 1984). 

 

En dan wordt het zoeken om nog echt nieuwe composities te vinden die we aan ons strijdrepertoire toegevoegd hebben.  Dit wil niet zeggen dat er geen nieuwe zijn, maar we zingen ze niet.  En we hebben, denk ik, nooit een strijdliedcompositie in opdracht gegeven.  Af en toe is er een lied uit een productie dat overleeft en strijdpotentieel heeft, bv. Ze zingen weer liedjes, Meneer (uit Mensenzee) Wij zijn de socialen (uit: Vergeten Straat) of Al Rabaiyeh (uit TheShouting Fence).  Maar het zijn eerder toevallige meevallers.

 

Het strijdlied was voor Eisler het wapen van zijn geliefde Arbeiterchöre.  Hoewel het Brussels Brecht-Eislerkoor moeilijk een arbeiderskoor kan genoemd worden, plaatsen we ons als strijdkoor wel in die traditie.  Onze eerste focus gaat uit naar solidariteit met de sociale en maatschappelijke strijd hier en vandaaruit ook naar wereldwijde solidariteit.  Daarom zingen we minder derdewereldliederen die vaak het grootste deel uitmaken van het repertoire van de ons verwante solidariteitskoren.  De laatste jaren zijn we echter actief in het contact zoeken met andere strijd- en solidariteitskoren om binnen de koorfederatie Koor&Stem onze aparte stem beter te laten horen.  Naar aanleiding van ons 30-jarig bestaan in 2009 brachten we alle verwante koren in Vlaanderen in kaart en kwamen tot onze verrassing tot een totaal van bijna veertig politiek geëngageerde koren.  TheShouting Fence was een heel concrete realisatie van samenwerking met een tiental Belgische koren om dit epos te brengen over een dorp dat door de Israëlische muur in twee gedeeld wordt. 

Samen zingen tegen Kernwapens (8/3/2010) is een actievoorbeeld van concrete samenwerking met verschillende koren.

 

Agitprop

 

Bij de klassieke Agitprop moest de propaganda op de geest werken en de agitatie op de emoties.  Aanvankelijk was agitprop een vorm van volkstoneel dat ontstond in de beginjaren van de Russische revolutie.  Aangezien de overgrote meerderheid van de bevolking analfabeet was, werden toneel, zang en beelden gebruikt om een veel breder publiek te bereiken dan met traditioneel-artistieke middelen mogelijk was geweest.

 

Eisler zag de pedagogische mogelijkheden van  agitprop direct in.  Hij wilde op die manier “schoonheid gebruiken om de ideeën van de werkende klasse en de actuele problemen in de klassenstrijd begrijpbaar en bereikbaar te maken”.  De liederen die hij voor de agitproptroepen schreef, wilden ertoe bijdragen een samenhorigheidsgevoel te creëren onder de werkende klasse en ze een perspectief te bieden dat er alternatieven bestaan voor het kapitalisme.  Hij wilde ervoor zorgen dat zijn liederen zouden ontsnappen aan de culturele ramp die de populaire, commerciële muziek voor hem geworden was.  Zijn liederen moesten al een voorbode zijn van de communistische wereldorde die eraan zat te komen.  Om die boodschap sterker te maken gaf hij zijn liederen een plaats in een ruimer agitprop-gebeuren. 

 

Of het Brussels Brecht-Eislerkoor dit waarmaakt ?  Dat lukt ons niet zo.  We zijn wel aanwezig op straat en deelname aan betogingen en acties voeren we hoog in het vaandel.  Maar of we daarbij veel street credibility hebben (om een modern woord te gebruiken) is te betwijfelen.  Het staat al lang op ons programma om aan een street act te werken, om er zelfs cursus voor te volgen of er een professioneel iemand bij te betrekken.  Maar het is er nog niet van gekomen.  Bij betogingen zingen we onze liedjes en ook bij acties hopen we dat onze stem door zijn kracht de geesten en harten bereikt.  Stop the War van Rzewski is een partituur waarbij een enscenering voorgeschreven is.  Die hebben we enkele keren op straat gebracht en dat “werkt”.  Maar daar is het bij gebleven.

 

Een moderne vorm van agitprop zou de flash  mob kunnen zijn : plots ergens met een (grote) groep mensen op een openbare plek opduiken, iets ongebruikelijks doen en daarna weer snel verdwijnen.  We hebben het er al wel over gehad, maar het is er nog niet van gekomen.  We zouden bij de laatste verkiezingen het gelegenheidslied Dit Land is ons Land op onverwachte plaatsen gaan zingen ...  Maar we moeten voor zoiets met velen zijn en dat waren we niet.  Het lied van de klimaatcoalitie Hey You zongen we op 28/11/10 wel met 4000 op de Kunstberg.  En het klonk !  Maar een onverwachte flash mob was het niet. 

 

Een moderne vorm van agitprop zou de flash  mob kunnen zijn : plots ergens met een (grote) groep mensen op een openbare plek opduiken, iets ongebruikelijks doen en daarna weer snel verdwijnen.  We hebben het er al wel over gehad, maar het is er nog niet van gekomen.  We zouden bij de laatste verkiezingen het gelegenheidslied Dit Land is ons Land op onverwachte plaatsen gaan zingen ...  Maar we moeten voor zoiets met velen zijn en dat waren we niet.  Het lied van de klimaatcoalitie Hey You zongen we op 28/11/10 wel met 4000 op de Kunstberg.  En het klonk !  Maar een onverwachte flash mob was het niet. 

 

Bij agitprop kun je denken aan “straat”, “kwalitatief hoogstaand”, “laagdrempelig”, “multimodaal”, en dat halen we met ons amateurkoor op vele terreinen niet.  Maar wat te denken van de Palestina-acties ?  De CheckPointSingers ?  Agitprop is dat niet, maar wat dan wel ?  Misschien is het een actievorm met vergelijkbare doelstellingen, maar die ons beter ligt :  on the scene of the Crime zingen !  Het werkte ook in Kleine Brogel bij Zingen tegen Kernwapens.  Het overtuigt, vraagt vooral aanwezigheid en stemvolume, is direct en ondubbelzinnig. 

 

 

Uit "Vergeten Straat"

 

Het Leerstuk

 

Voor Brecht was het doelpubliek van zijn Lehrstücke vooral de uitvoerders zelf.   Het maak- en inoefenproces van het leerstuk moest een pedagogische en wervende werking op de arbeiders en amateurs hebben die het stuk dan later zouden opvoeren.  Daarom schreef Eisler muziek voor Arbeiterchöre  en Blechbläserorchester, omdat de arbeiders daarin reeds actief waren en zo gemakkelijk bereikt konden worden.  Voor Brecht en Eisler was het leerstuk een echt onderdeel van een sociaalprogressieve arbeiderscultuur.

 

Er kan vermoed worden dat de inbreng van ideeën in deze producties door bevlogen kunstenaars als Brecht en Eisler eerder top-down was.  Of in ieder geval denken we bij de huidige strijdkoren dat de structuur en het besluitvormingsproces basisdemocratischer geworden is.  Meezingen in een strijdkoor, liederen kiezen en instuderen, discussiëren over inhoud en zinvolheid, samen plannen en doorvoeren van avondproducties, deelnemen aan acties en manifestaties, ook en vooral het zingen on the scene of the crime, ons koor is een Lehrstück op zich geworden. 

 

In de jaren tachtig bracht het Brussels Brecht-Eislerkoor  zo’n historisch  leerstuk, namelijk “De Maatregel” van het duo Brecht en Eisler. Het was een hard stuk en het behoefde ook een toelichting. Bovendien mocht het van de erven van Bertolt Brecht niet meer worden opgevoerd, wat aan de hele onderneming een conspiratief karakter gaf. De koorzangers uit die tijd herinneren zich nog de alternatieve zaaltjes en het publiek  dat zat te wachten op het slot van de voorstelling om met het elan uit die tijd een rumoerig debat aan te gaan.

 

(Volks)opera

 

Eisler begon in de jaren vijftig aan een operaproject te werken dat “leerstukallures” moest krijgen.  Dr. Johann Faustus  moest een “Duitse Nationale Opera” worden waarbij Eisler de houding van de intellectuelen ten opzichte van fascisme en dictatuur in het naoorlogse Duitsland wilde hekelen.  Het moest een opera worden “die met volk op vrienschappelijke voet staat, die de populaire elementen van het volkstheater herwaardeert, die de figuren van de potsenmaker en van Het Volk weer invoert en dat aan het denken zet of onze vooroordelen over de 16-e eeuw wel juist zijn”.  Eisler schreef zelf het libretto maar geraakte daarna niet verder dan wat muzikale schetsen, omdat de DDR-cultuuroverheden niet wilden dat aan de Faust-interpretatie van historisch monument Goethe geraakt werd. 

 

Misschien mogen we een beetje pretentieus beweren dat wij met de “volksopera” ook een stuk linkse cultuur ontwikkeld hebben en een deeltje van de opera-ideeën van Eisler waar maken.  Volksopera is geen nieuw woord.  Er is natuurlijk van oudsher de Volksoper in Wenen.  Maar dat is niet meer dan “opera voor het volk”.  In Amsterdam bestaat het Volksoperahuis  dat “kleinschalig muziektheater voor een breed publiek” wil brengen.  De volksopera is een genre waarbij de liederen acterend gezongen worden en de vertelling en bijhorende muziek voor de theatrale illusie zorgen. In Paradisum (1995) was nog een “gewone” scenische cantate en Dieren met een vreemde geur (1999) een tot leven gebrachte liederencollage.  Maar met de komst van huisregisseur Vital Schraenen werd Mensenzee (2001) al een mengeling van muziektheater, het koor als dramatis persona en verhaallijnen die de toeschouwer actief aan het denken zetten.  Bij Vergeten Straat (2004) spreken we voor het eerst expliciet van een volksopera.  In 2006 brengt het koor een “werkplaatsproductie” voor het voetlicht dat in een video-omgeving baadt (Brecht voor de Raap) en in 2009 dan het onvolprezen The Shouting Fence waarbij ook het publiek in de actie opgenomen wordt.

 

En binnenkort ”Vive la Sociale”, muziektheater voor solisten, koorzangers en een fanfare. Oude liederen worden voor koor en fanfare bewerkt door Chris Carlier, terwijl het concept berust bij Vital Schraenen. Tegelijk zijn de zangers van bij het begin als collectief betrokken bij de creatie en bij de educatieve omkadering.

 

 

Vergeten Straat

   

 

 

Terug naar beginpagina