Geschiedenis - deel 3

Thema's van Vive la Sociale

door Teo Vermote

Betoging voor stemrecht 1912

 

 

Stemrecht

 

Met de vorming van een socialistische partij in België, de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in 1885, begon de arbeidersklasse aan een meer gerichte sociale strijd. Centraal in de strijd van die eerste decennia stond de hervorming van het kiessysteem, met het zuiver algemeen stemrecht als ultiem doel. Dat was volgens de BWP essentieel om de arbeiders te emanciperen en ‘een plaatsje onder de zon’ te krijgen. Het is dan ook logisch dat er in de beginjaren veel over het stemrecht werd gezongen, zoals in Stemrecht voor elkeen van Emile Moyson en de Stemrechtmarsch van cafézanger Eedje Smol. Nog meer dan redevoeringen zorgden die liederen ervoor dat de doelstellingen van de arbeidersbeweging verspreid en bekend raakten. Het waren onvervalste strijdliederen die de betogers sterkten in hun strijd voor stemrecht.

Over de politieke strategie om algemeen stemrecht te krijgen, was binnen de BWP geen eenduidigheid. De aanpak van gematigde groepen om via politieke allianties met gelijkgezinden druk uit te oefenen op het parlement leek zijn vruchten af te werpen. Maar toen de katholieke meerderheid in 1893 de grondwetsherziening blokkeerde, namen de radicale, hoofdzakelijk Waalse groepen het heft in handen. Volgens hen waren algemene stakingen, desnoods met geweld, de enige weg om algemeen stemrecht af te dwingen. De BWP gaf het startsein voor de eerste algemene staking. De vele muziekkorpsen en koren begeleidden die stakingen instrumentaal en vocaal.

Bij wijze van kleine tegemoetkoming werd het cijnskiesrecht vervangen door het algemeen meervoudig stemrecht. Dat was een uitermate onrechtvaardig systeem dat vooral diende om de politieke meerderheid niet in handen te laten vallen van de eigenlijke meerderheid van het land. Eedje Smol schreef in zijn Stemt voor de socialisten dan ook ‘om voorgoed de luie rijke dievenboel te temmen moet ge allen voor de socialisten stemmen’. De strijd voor stemrecht ging verder.

Uiteindelijk volgden er nog twee algemene stakingen. Na bijna een halve eeuw, waarin bij demonstraties in totaal zeker twintig doden vielen, werd in 1919 het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen ingevoerd. Een historische blunder, want net toen de socialistische partij haar voornaamste strijdpunt kon realiseren, koos ze ervoor de zwaksten, diegenen die het meest te lijden hadden onder het onrechtvaardig kiessysteem, uit te sluiten. Socialisten en liberalen verklaarden dat ze vreesden dat de vrouwen te veel onder de invloed van de clerus stonden. Tactiek boven idealisme dus, en een duidelijke vorm van paternalisme. Pas in 1948 kwam er in België een écht en zuiver algemeen stemrecht. Op internationaal vlak wordt de strijd voor zuiver algemeen stemrecht nog steeds gevoerd.

 

Kinderarbeid

 

Een van de meest schrijnende aspecten van de vroege geïndustrialiseerde samenleving was de kinderarbeid in mijnen en fabrieken. Kinderarbeid was niets nieuw, in elke agrarische of ambachtelijke samenleving werkten kinderen. In dat opzicht zijn leerplicht en het verbod op kinderarbeid, althans in het Westen, heel recente ontwikkelingen. Wat wel nieuw was, waren de enorm slechte werkomstandigheden, de magere lonen, de lange uren en de massale inzet van kinderen in het productieproces. Ze waren geschikt voor de vaak simpele fabrieksarbeid, en om de productiekost nog meer te drukken. Ze waren behendig, stelden geen lastige vragen, konden lange uren draaien en moesten niet veel betaald worden. In combinatie met de armoede van de stedelijke bevolking dwong dat duizenden kinderen om te werken in mijnen, textielfabrieken …

Kinderen waren de onschuldige slachtoffers van de miserie van die tijd. Hun verhalen waren perfect om soms sentimentele liederen te schrijven, zoals Kinderen der fabriek, waarin fabrieksbazen, politici én arbeiders een vermaning krijgen. Hét bewijs dat kinderarbeid in die tijd vooral vanuit de ‘burgerij’ werd bekritiseerd. Het Continuemeisje van de cafézanger Henri van Daele was zo’n aanklacht van de werk- en leefomstandigheden, gericht tegen politici en fabrieksbazen. Een oproep om de arbeidswet te herzien.

Intellectuelen, politici en zelfs de koning merkten het probleem van kinderarbeid al heel vroeg op. Ze hamerden op het belang van opleiding en opvoeding. Ze protesteerden tegen een symptoom, niet tegen het structurele probleem. De vroegste pogingen tot verbetering en wetsvoorstellen ten spijt, was het pas in 1889 dat er effectieve maatregelen kwamen. De strijd tegen kinderarbeid werd onderdeel van de veel bredere strijd voor betere werkomstandigheden van alle arbeiders. Er kwam een verbod op arbeid door kinderen jonger dan 12 jaar, jongens tussen 12 en 16 en meisjes tussen 12 en 21 mochten maximum 12 uur per dag werken. Dat wetsvoorstel bewijst enkel hoe schrijnend de situatie daarvoor was. Voor de BWP was dat natuurlijk niet genoeg, en nog voor de Eerste Wereldoorlog werden de ergste uitwassen van de arbeidswetgeving weggewerkt. In 1914 kwam er overigens een wet die leerplicht instelde voor kinderen tussen 6 en 12.

Na de Eerste Wereldoorlog verminderde kinderarbeid in België sterk dankzij de wetgeving, de schoolplicht en de kinderbijslag. Die kinderbijslag kwam er vanaf 1920. Ze was geen sociale verworvenheid van vakbonden of mutualiteiten, maar een initiatief van de sociaal geïnspireerde patroons en de katholieken.

In het Westen mag kinderarbeid dan grotendeels verdwenen zijn, op internationaal vlak blijft het een enorm probleem. Naar schatting 215 miljoen kinderen werken vandaag wereldwijd. Opnieuw is de oplossing veel complexer dan een simpel verbod op kinderarbeid.

 

 

De Internationale

 

Toen in de lente van 1871 in Parijs de Commune werd opgericht, droomden velen van een internationale opstand waarbij alle landen, een voor een, zouden vallen voor het socialisme. Tien jaar eerder was de Eerste Internationale opgericht, waarin werklieden en intellectuelen over de landsgrenzen zich verenigden. Deze internationalisten van verschillende pluimage droomden van een rechtvaardige maatschappij waar de arbeiders het voor het zeggen hadden. Er moest een internationale revolutie komen, en Parijs leek het begin daarvan. Maar die droom werd letterlijk aan diggelen geslagen. De ‘communards’ werden verjaagd, gevangen genomen en geëxecuteerd. Ook de Eerste Internationale verging het niet zo goed en na aanhoudend geruzie tussen marxisten en anarchisten viel ze uiteen. Verslagenheid alom dus.
En toch was de Commune een soort big bang voor de arbeidersbewegingen over de hele wereld. De droom werd voor het eerst realiteit, al was het maar voor even en in heel beperkte mate. Logischerwijs vormt de Commune inspiratie voor enorm veel liederen. Wie kent nu niet LeTemps des Cérises en De Internationale, die beide hun oorsprong hebben in die lentemaanden in Parijs. De poëet en communard Eugène Pottier schreef de tekst van De Internationale in de nadagen van de Commune. Het lied werd oorspronkelijk op de tonen van de Marseillaise gezongen. In 1888 schreef de in Gent geboren arbeider Pierre De Geyter het lied bij de bestaande tekst. De echte doorbraak van het nummer kwam er op een samenkomst van de Tweede Internationale in Kopenhagen, waar het werd uitgevoerd door een koor van vijfhonderd arbeiders. De Internationale werd in alle talen van de wereld vertaald. De meest gezongen Nederlandse versie is die van Henriette Roland Holst. Het blijft, tot op vandaag, het bekendste en meest gezongen socialistisch strijdlied.

Ook andere, vooral Franse strijdliederen waren erg in trek bij de arbeidersbeweging. De Franse Revolutie met haar rechten van de mens en de Commune met haar heroïsche opofferingen spraken tot de verbeelding van de vele arme en onderdrukte arbeiders. Het strijdvaardige Hymne au drappeau rouge van de internationalist en possibilist Paul Brousse (1844-1912) bezingt de opofferingen van de revolutionairen en huldigt de rode vlag als symbool van het gerechtvaardigd verzet. Die Franse liederen baden in idealisme. In het Mariannelied keert de muze van vele revoluties terug. Zij zal de arbeiders aanvoeren in de verlossing van tirannen en ‘vampieren dezer maatschappij’. Het lied van de communard Olivier Souvestre (1831-1896) werd een internationale hit. Hoewel de Franse revoluties gezien werden als burgerlijk, was de verbondenheid met de arbeidersstrijd duidelijk.

Hoe grandioos de mislukkingen van de Commune en de Eerste Internationale ook waren, in veel landen zetten ze iets in beweging en vaak resulteerde dat in een arbeidersbeweging en -partij. Binnen de (grote) Belgische sectie van de Internationale waren de antiautoritaire ideeën van Bakoenin erg in trek, met alle dramatische gevolgen van dien voor de organisatorische uitbouw. Vooral in Wallonië zinderde de Internationale nog lang na, en de antiautoritaire en decentralistische cultuur werd meegenomen naar de partij. Na een zoektocht van twintig jaar werd de BWP uiteindelijk in april 1885 opgericht, bij wijze van Belgisch compromis. Een evenwicht tussen groepen uit drie verschillende regio’s met andere economische activiteiten en dus afwijkende politieke en culturele eigenheden.

En de Internationale? De resten van de Eerste Internationale smeulden verder op lokaal en nationaal vlak, waar men alvast begon aan de uitbouw van de socialistische maatschappij. Of de droom van de Eerste Internationale ooit realiteit zou worden, was een kwestie van geloof. De Tweede, Derde en Vierde Internationale in de loop van de 19e en 20e eeuw hadden enkel een verdere verbrokkeling van de brede sociale beweging tot gevolg.

 

 

Vrouwenrechten

 

In het stichtingsprogramma van de BWP van 1885 staat dat gelijkheid zonder onderscheid van ras, cultuur of sekse het doel was. Mooie ideeën, maar de realiteit was wel even anders. Hoewel vrouwen een belangrijke kracht in de socialistische beweging vormde, bleef de partij een mannenbastion. Aangezien de politieke strijd niet veel opleverde, waren vrouwen wel sterk aanwezig in de coöperaties, mutualiteiten en vakverenigingen. In tegenstelling tot de burgerlijk-feministische vrouwenbeweging, vooral gedragen door mannen, waren de socialistische vrouwenbewegingen een vrouwenzaak. De eis om vrouwenstemrecht werd vele malen verdaagd, en het duurde uiteindelijk nog tot na de Tweede Wereldoorlog alvorens de vrouwen mochten stemmen in nationale verkiezingen. De voornaamste reden daarvoor was het diep doorgedrongen paternalisme van die tijd. ‘De zorgende moeder’ was een ideaal, ook bij de arbeiders.

Tijdens de eerste feministische golf werden verschillende vrouwenbonden opgericht. Hun voornaamste eisen waren die voor stemrecht, recht op werk, juridische gelijkheid en onderwijs. Het is misschien wel typerend dat een man, Henri van Daele, het lied Wij spinsters van de Vlasfabriek schreef. Maar er waren ook vrouwelijke auteurs zoals Margot Vos, die in haar Uit zwarte nacht een oproep doet aan vrouwen om zich te verenigen in sterke vrouwenbonden.

België ligt op het gebied van vrouwenrechten ook op een breuklijn tussen een noordelijke en een zuidelijke, Latijnse traditie. In Noord-Europese landen kregen vrouwen al rond de Eerste Wereldoorlog stemrecht, in het zuiden van Europa moesten ze wachten tot na de Tweede Wereldoorlog.

Samen met de veel bredere maatschappelijke contestatie van de jaren 1960 kwam een nieuwe feministische golf op gang. Bovenop de klassieke eisen, kwam nu vooral de eis tot seksuele en financiële onafhankelijkheid naar boven. Die eisen worden vaak gedragen door nieuwe, meer autonome en pluralistische groepen.

 

 

Tekening van Käthe Kollwitz (1867-1945)

 

Oorlog en Vrede

 

De droom van een internationale broederband tussen arbeiders had voor het eerst vorm gekregen in de Eerste Internationale. Arbeiders waren elkaars bondgenoten en het militarisme van de natiestaten moest worden bestreden. Het leger werd gezien als bezettingsmacht dat zich tegen het volk kon keren. Socialisten waren dan ook tegen een permanent leger en vooral tegen oorlog. Het lied De wapens neer uit 1890 is misschien wel het mooiste voorbeeld van dat pacifisme. Het gaat over de zinloosheid van oorlog en leger, want waarom zouden arbeiders ‘het goed der rijken bewaken?’

Dat internationalisme en pacifisme werden zwaar op de proef gesteld tijdens de Eerste Wereldoorlog. Alle mooie ideeën ten spijt, konden ze niet beletten dat arbeiders elkaar vier jaar lang aan stukken schoten. Socialisten bewezen dat ze onderdeel waren van de maatschappij, en net als de anderen verankerd waren in dat nationale kader. Ze keurden de mobilisatie goed en stapten mee in de oorlog. De BWP stapte zo definitief uit haar isolement. Voor velen was het ook de enige mogelijkheid, het Duitse militarisme werd gezien als een bedreiging voor iedereen. Er moest dus oorlog gevoerd worden omdat ze tegen de oorlog waren. En toch waren het internationalisme en het pacifisme niet dood. Vooral Camille Huysmans deed er zowel tijdens als na de oorlog alles aan die idealen levendig te houden.

Tijdens het interbellum werd de sfeer zowel aan linker- als rechterzijde steeds militanter en strijdvaardiger. De Spaanse Burgeroorlog was achteraf gezien maar een voorbode van de strijd tussen rechts en links. Het waren jaren van instabiliteit, angst en verwarring. Het strijdlied vierde hoogtij. Zo was het lied Partisanen vom Amur uit de Russische burgeroorlog erg populair. Het ziet de oorlog als een manier om een betere toekomst te krijgen. Ook het lied Ay Carmela uit de Spaanse Burgeroorlog kende een grote populariteit. Na de Tweede Wereldoorlog had je Bella Ciao en Le Chant des Partisans, geen arbeidersliederen in de klassieke zin van het woord, maar soldatenliederen die handelen over ideologie en oorlog. Het pacifisme leek een verre herinnering. Het is pas na de oorlog en vooral tegen het einde van de jaren 1960 dat het pacifisme terugkeerde, via de liederen van jongeren die protesteerden tegen oorlog en zo veel meer.

 

 

 

Arbeiderscultuur

 

Tegenover de vaak droge kunstliederen, liederen ‘over’ het volk, stonden de kleurrijke, spontane volksliederen, liederen ‘van’ het volk. Daar waar veel liederen vaak gekunsteld, ideologisch en literair overkwamen, klonken arbeidersvolksliederen spontaan, eerlijk en kleurrijk. Ze weerklonken op straten en pleinen, in cafés en op feesten, maar een pak minder op manifestaties en betogingen. De partijleiders vonden de liederen vaak te boertig, en voor ‘sociaal laag-staanden’. Volksverheffing was de boodschap. Via de talloze verenigingen en volkshuizen moest kunst de arbeiders ‘veredelen’, zodat ze geen vunzigheid meer zouden zingen en minder uitbundig zouden feesten. Liederen werden ingezet in de propagandamachine en moesten de strijd dienen. Geen betere plek daarvoor dan de volkshuizen, waar koren naar hartenlust konden zingen.

Toch besefte men dat die volksliedjes van markt- en cafézangers erg populair waren bij de arbeiders. Die gingen terug op een veel oudere traditie van volkscultuur en beperken zich niet enkel tot het socialisme. Om de taal te bevorderen vergoedde het Willemsfonds zelfs enkele zangers die met hun liederen het volk zouden verheffen. De socialistische partij probeerde dan ook te bemiddelen tussen het burgerlijke en het volkse.

Net omdat de liederen geschreven zijn door arbeiders, vertellen ze ons iets over hoe ‘het volk’ dacht, leefde en droomde. Zo was er het oude lied over Vera-Paz, een van de eerste kolonie-experimenten van Leopold I waar hij werklozen, kansarmen en avonturiers naartoe wou sturen. Er circuleerden valse brieven en valse verhalen over de kolonie, over hoe het op het paradijs leek, en over een schip vol Gentse arbeiders dat opzettelijk tot zinken werd gebracht.

Een van de bekendste volkszangers was de Gentenaar Karel Waeri. Zijn liedjes speelden in op de actualiteit, waren spottend en speelden vaak in op de sociale strijd. Hij hechtte veel belang aan het eergevoel van de arbeiders en probeerde in te gaan tegen hun minderwaardigheidsgevoel. Dat probeerde Rik Van Offel met zijn Kanaillelied ook, door de geuzennaam van de arbeiders te hanteren om het beginnend zelfbewustzijn aan te wakkeren. Napoleon Destanberg, een Gentse volkstoneelschrijver, illustreerde die trend misschien het best met zijn Wat zoudt ge zonder het werkvolk zijn.

Opvallend bij veel van de volksliedjes is hoe ze iets aanklagen en scherpe kritiek uiten, maar geen politieke oplossingen suggereren. Ze blijven, qua politieke kleur dan toch, vaak neutraal. Eens de sociale strijd vanaf het einde van de 19e eeuw aanwakkerde, werden steeds meer politieke strijdliederen geschreven. Zij verdreven voor een deel de typische volksliederen. Eens de situatie van de arbeiders aanzienlijk verbeterde, verdween de traditie van volksliedjes stukje bij beetje. Een andere reden voor het verdwijnen van de volkszangers was de wetgeving rond auteursrecht. Plots mochten teksten, vaak op bekende melodieën gezet, niet zomaar meer op straat gebracht worden.

De geëngageerde liederen keerden pas terug met de protestbewegingen in de jaren 1960. Het waren voornamelijk jongeren (geen arbeiders), die over compleet nieuwe thema’s zongen zoals oorlog, vrouwenrechten, atoomwapens en milieu. Ze lieten zich inspireren door de Angelsaksische traditie van Neil Young, Bob Dylan … maar ook door de 19e-eeuwse volksliedjes van Karel Waeri. De traditie van sociaal geëngageerde liederen is eigenlijk nooit verdwenen, al zijn ze niet altijd even zichtbaar. Ze veranderen constant van vorm, inhoud en thematiek.

 

Beknopte bibliografie

Bruyneel, T., Historische situering en analyse van politieke aspecten in het oevre van de negentiende-eeuwse Gentse volkszanger Karel Waeri, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent, 2002.

Deherdt, R. en De Graeve, B., Kinderarbeid 1800-1914, Gent: MIAT, 1981.

Demoen, E., A la vapeur, dat heet progres! Liederen van de industriële revolutie, Gent, 1985.

Olsen, J.O., Van Haverbeke, E., De Wilde, Creve, P., Robert, F., Gielkens, J., en Vandecaveye, R., Pierre de Geyter: Het Grote Lied van een kleine man, Gent, 1998.

Vandecaveye, H., 'Het Proletariërslied', in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, Gent, 1980.

Van De Merwe, J., Gij zijt kanalje! Heeft men ons verweten. Het proletariërslies in nederland en vlaanderen, A.W. Bruna, 1974.

Van Goethem, G. en Pauli, W., De droom van een betere wereld. 125 jaar socialistische partij, Gent, 2010.

 

 

Annex : Het arbeiderslied

 

Waar onrecht en ellende is, wordt gezongen. Het lijkt zo een van die constanten te zijn door de geschiedenis heen. Van de katoenvelden en chain gangs in het zuiden van de VS tot de arbeiderswijken, cafés en volkshuizen van geïndustrialiseerde Europese steden in de 19e eeuw. Het lied was in die tijd de ideale manier om de ellende onder woorden te brengen, ook al omdat het ‘de taal van het volk’ was. Wie niet kon lezen of schrijven, die zong – of schreeuwde.

Het arbeiderslied kent enorm veel vormen en variëteiten. Samen met de ontwikkeling van de sociale beweging, maakte 'het lied' ook enkele evoluties door. Zo zijn er altijd volksliedjes geweest. Logischerwijs bezongen de liedjes in de 19e eeuw vaak de ellende van die tijd. Ze groeiden uit de volkscultuur van cafézangers en theatermakers. Het zijn authentieke arbeidersliederen, niet te verwarren met liederen die handelen óver de arbeiders. Die liederen werden vaak geschreven door intellectuelen, idealisten, internationalisten, muzikanten en poëten. De groeiende arbeidersbeweging had namelijk nood aan strijdliederen met een duidelijke ideologische en politieke boodschap. Liederen die meegezongen konden worden op manifestaties en mensen verenigden achter het vaandel. Die liederen creëerden samenhorigheid, versterkten het zelfbewustzijn en de trots van de arbeiders, waren een vorm van scholing en prikkelden de tegenpartij. Het waren bondige liederen, die vaak gebaseerd waren op bekende en populaire melodieën zodat je ze gemakkelijk kon meezingen. Er waren liederen vol toekomstverwachtingen, protestliederen, strijdliederen, spotliederen, tot zelfs treurige en ronduit huilerige smartlappen.

Voor ons, hedendaagse luisteraars, lijken ze soms vreemd. Ze spreken over een strijd die gestreden is en schetsen een wereld die er niet meer is. Dat krijg je, als je de wereld wil veranderen.

Tegen de eeuwwisseling werden arbeidsliederen een meer artistieke aangelegenheid, een zaak voor arbeiderskoren. De liederen dwongen respect af voor de beweging en er was ook plaats voor niet-politieke gezangen. Zangkringen kregen een plaats in de uitgebreide socialistische organisatie en moesten de strijd ‘veraangenamen’.

Tijdens het interbellum kreeg het arbeiderslied een nieuwe impuls door het populaire agitpropconcept. De combinatie van massaspel, massadans en spreekkoor was vooral populair bij de jeugd. Bij de combinatie van dans, theater en zang lag de nadruk, geheel in de tijdsgeest, vooral op de collectieve beleving. De Eerste Wereldoorlog en de naweeën ervan waren natuurlijk ook een vruchtbare bodem voor een pak nieuwe strijdliederen.

Na de Tweede Wereldoorlog verdween het traditionele lied uit de straten. Enkel de zangkoren zetten de traditie van arbeiders- en strijdliederen enigszins verder. De sociale strijd speelde zich vanaf toen af in kamers, kabinetten en regeringen, en daar wordt nu eenmaal niet gezongen. Behalve De Internationale, die af en toe nog eens wordt ingezet op bijeenkomsten, verdwenen de meeste arbeidsliederen uit het collectieve geheugen.

En toch, zo nu en dan keerde het lied terug. Op woelige momenten zoals op het einde van de jaren 1960, vulden protestzangers straten én concertzalen. De traditie van het geëngageerde protestlied vond een tweede adem. Protestliederen beperken zich echter niet tot singer-songwriters, ook bij rap en hip-hop is er plaats voor verontwaardiging, onrecht en sociaal engagement. En ook nu, anno 2011, herontdekt de Occupy-beweging over de hele wereld de plaats waar dingen gebeuren: op straat, met spandoeken, borden en … muziek. Vreedzaam protest wordt er begeleid door muziek van hedendaagse muzikanten én zowaar artiesten als Graham Nash, David Crosby en Joan Baez.

Arbeiders- en strijdliederen verdwenen dan wel, in zijn meest essentiële vorm blijft de sociaal bewuste muziek bestaan. En zal ze blijven bestaan.

 

Terug naar beginpagina