Toelichting bij de liederen

 

(deel van) Omroerkoor op de Grote Markt in Hasselt (foto Lili Bammens)

 

Dit document wordt gaandeweg met meer beschouwingen aangevuld.

 

 

De Vera-Paz (1845)

 

Een vrolijk lied over de migratie- en kolonisatiepolitiek onder het bewind van Leopold I. Of een kritisch spotlied over een beleid van valse hoop?

 

Dit kluchtige lied becommentarieert een korte episode uit onze vaderlandse geschiedenis, die dramatisch afliep maar tegelijk ook komische facetten vertoont, en om beide redenen liefst zo vlug mogelijk vergeten werd. Helaas, de populariteit van het liedje De Vera-Paz maakte dat vergeten nogal moeilijk. Het liedje dat ontstond rond 1845 was op het einde van de 20ste eeuw nog altijd populair in Vlaanderen, tenminste toch in Gent, waar ook tot ver in de 20ste eeuw een café bestond met de naam Vera-Paz, en dat eveneens herinnerde aan de rampzalige migratie- en kolonisatiepolitiek uit de beginperiode van Koninkrijk België.

 

De kolonies zouden veel rijkdom verschaffen, maar ook een oplossing bieden voor de binnenlandse problemen van de overbevolking van armtierige stadswijken en de heilloze binnenlandse migratie van een ontwortelde, verarmde, wanhopige bevolking die helemaal niet deelde in de welvaart van de opkomende industrialisering.

 

Met de onafhankelijkheid van België in 1830 gingen Nederland en zijn kolonies verloren als afzetmarkt voor de Belgische industrie. Leopold I poogde dan zelf herhaaldelijk kolonies te stichten. Dat mislukte telkens. In 1941 leek een koloniesatiepoging in Santo-Thomas in het district Vera Paz in Guatemala, van de grond te komen. In 1843 vestigden zich enkele honderden Belgen in het gebied onder de leiding van enkele notabelen. De concessie had een oppervlakte van een half miljoen hectaren. België verplichtte zich ertoe er 1000 families of 5000 personen te huisvesten, wegen aan te leggen, rivieren bevaarbaar te maken en zo verder. De migranten werd een hemel op aarde voorgeschoteld. De kolonisten werden erheen gelokt met grote beloften: de eerste 1000 arbeiders kregen een stuk grond van 50 are, nog eens zoveel bij een huwelijk in de kolonie, en nog eens 25 are bij de geboorte van elk wettig kind. Maar het klimaat was er erg ongezond voor de Belgen. Een groot aantal kwam om door onbekende ziektes. De Belgische 'Compagnie' belast met de uitvoering van het plan, verspreidde in België het beeld van een paradijselijk land. Bij gebrek aan voldoende belangstelling poogde de Compagnie de gemeenten ertoe te brengen de personen die ten laste waren van de openbare onderstand - en met de crisis van de linnennijverheid waren dit er zeer veel - naar Vera Paz te verschepen: een soort exportland voor werklozen dus....

 

De negatieve berichten over het tropische klimaat, de besmettelijke ziekten en koortsen die België begin 1844 bereikten, waren er oorzaak van dat nooit meer dan 800 a 900 personen naar Vera Paz zijn uitgeweken. Vanaf 1845 kwamen de eersten terug. Hun ziekelijk voorkomen was de beste antireclame.               

Er leven nog steeds nakomelingen van die kolonisten in Guatemala.

 

Ook na het debacle van deze kolonisatiepoging circuleerden er fantastische verhalen over de kolonie van Leopold I, een land van melk en honing, waar je niet moest werken en geen belasting moest betalen.

 

Later kwam de emigratie uit België pas echt goed op gang. Vanaf 1879, na de aanleg van de spoorlijn Keulen-Antwerpen, was Antwerpen voor vele duizenden Europeanen de inschepingsplaats voor hun verhuis naar de nieuwe wereld. Tussen 1873 en 1934 vervoerde de scheepvaartmaatschappij Red Star Line alleen al meer dan twee miljoen passagiers van de Scheldestad naar Amerika.

 

“Vanaf het midden der negentiende eeuw was de plattelandsbevolking getekend door de migratie. Elke dag opnieuw en elke week en ieder seizoen trokken tienduizenden uit hun landelijke gemeenten naar wat eens het onbekende was. Bij hun terugkeer brachten zij nieuwe gedachten, nieuwe behoeften en een nieuwe onrust mee waarvan de gevolgen in het leven van alle mensen merkbaar werden.” (Karel van Isacker, Mijn land in de kering)

 

De muziek is ontleend aan een bekend deuntje dat je terugvindt in Franse liedjes, maar ook in vele kadrils die overal in Vlaanderen populair werden o.a. in de Kadril van Hasselt.

 

 

Emigranten op een schip - foto Alfred Stieglitz

 

Wat zoudt gij zonder het werkvolk zijn? (ca. 1865)

 

Tekstschrijver Napoleon Destanberg (Gent, 1829-1875) was journalist, (toneel)schrijver, toneelregisseur en vertaler (van o.a. Les Misérable van Victor Hugo). Hij was een Vlaamsgezinde liberaal uit het sociaal-progressieve kamp en toen na 1870 het doctrinaire liberalisme de boventoon ging voeren, werd hij door de partij uitgespuwd. Zijn artikels en gedichten werden niet meer gepubliceerd.  Hij verviel in armoede en stierf in 1875, negen kinderen in miserie achterlatend.

 

Destanberg kwam op voor stemrecht en pacifisme en veroordeelde scherp de uitbuiting van de arbeiders. Hij deed beroep op de goedertierenheid van de bezittende klasse om een einde te maken aan die uitbuiting, zoals blijkt uit “Wat zoudt gij zonder het werkvolk zijn?”.

Wij gebruiken alleen de tekst van dit lied. De muziek heeft nochtans ook een interessante geschiedenis. Het is een airtje uit de Franse "Vaudeville de la petite gouvernante" (of Vaudeville de la robe et des bottes) en zou gecomponeerd zijn door Joseph-Denise Doche (Fr. 1766-1825). Hoe deze  componist van geestelijke muziek en kapelmeester in de kathedraal van Coutance, terechtkwam in de vaudevilletheaters van Parijs, laten we bij deze onbesproken. En dat Waalse boeren in de muziek van componist Doche hun eigen volksdanswijsjes herkenden, hoeft niet te verbazen. Lenen en ontlenen was heel gebruikelijk in de muziek, ook over de grenzen van populaire en ernstige muziekgenres heen. De populaire zanger Pierre-Jean de Béranger (1780-1857) gebruikte hetzelfde melodietje om zijn afkeer van de monarchie uit te zingen in het lied “Ma République”. Dat zo begint: “J’ai pris goût à la république depuis j’ai vu tant de rois…”

 

 

Stemrecht voor elkeen (1865)

 

De vrijzinnige, Vlaamsgezinde, socialistische dichter Emiel Moyson (Gent 1838, Luik 1868) schreef de tekst van dit lied. Hij was een van de eerste intellectuelen die zich engageerde in de arbeidersbeweging. Door de katholieke intelligentsia werden zijn gedichten gebrandmerkt als zedeloos, antigodsdienstig en doorstraald van een revolutionaire geest. Ze mochten door katholieken niet worden gelezen. Op twintigjarige leeftijd verhuisde hij van Gent naar Brussel en werd een verbindingsman tussen de Brusselse en de Gentse arbeidersorganisaties. Zowel in Gent als in Brussel als elders engageerde hij zich in talrijke vergaderingen en manifestaties van de jonge socialistische beweging en werkte mee aan haar publicaties. Hij was een van de eerste Belgische leden van de Eerste Internationale (lid nr. 37). Moyson verdedigde de Vlaamse taal, maar zette zich af tegen het taalparticularisme van Guido Gezelle en consoorten. Hij kwam op voor de vrijheid van vakvereniging, voor de coöperatieven en voor het algemeen stemrecht. Het lied “Stemrecht voor elkeen” getuigt daarvan.

De muziek van dit lied is van onbekende oorsprong. We gebruiken ze niet in deze voorstelling.

 

 

 

Betoging voor algemeen stemrecht Gent 1913

 

Gij zijt canaille (1868 of 1869)

 

De tekst van dit lied verscheen in 1869 (of 1868?) in “De Werker” het weekblad van de eerste Antwerpse arbeidersorganisaties. Een van de eerste voormannen van de arbeidersbeweging in Antwerpen was Hendrik (Rik) Van Offel (1844-1900), lid van de vakbond der letterzetters, later toneelsouffleur. Naast vakbondsmilitant was hij ook zanger/liedjesmaker. En dat is nu eens niet opmerkelijk. Zeker in Antwerpen was dat heel gewoon. Schoenmaker Filip Coenen was een volksdichter, maar ook stichter van “Het volksverbond” (de aanzet tot een socialistische partij) en sterkhouder van weekblad “De Werker”, waar hij net als Van Offel vele bijdragen voor leverde.

 

De stichter van de Antwerpse Metaalbewerkersbond (en van de Vrijdenkersbond), Jef De Gratie, uitte zich ook als dichter, van de agressieve soort. Hij schreef vele liedjes zoals “de Coloradokever”, een schimplied op de clerus. Ook Piet Chauliac, medeoprichter van de bond der Antwerpse houtbewerkers, schreef een groot aantal liederen. Daarvan is er maar één overgeleverd. Ongetwijfeld zijn er heel veel liederen uit die periode – tweede helft van de 19de eeuw – verloren gegaan.

 

Dit lied getuigt al van een veel sterker zelfbewustzijn en een grotere strijdvaardigheid van de arbeiderspopulatie. Het schuift ook het wapen van de solidariteit en van een sterke organisatie naar voren. Het is bij ons weten ook het eerste lied waarin de Internationale, kort na haar ontstaan, vernoemd wordt. Zou letterzetter Van Offel, net als letterzetter César De Paepe, lid zijn geweest van de Belgische afdeling van de Eerste Internationale? Zoals die andere – jongere – letterzetter, Edward Anseele, prominent lid was van de Tweede Internationale?

 

Nog een primeur: “Gij zijt Canaille” is tot bewijs van het tegendeel het eerste arbeiderslied in ons taalgebied waarvoor nieuwe muziek gecomponeerd werd.

                                     

Volgens Denise De Weerdt is dit canaillelied door Van Offel “in het Vlaams omgezet”. Wat zou dan wel het oorspronkelijke lied geweest zijn? Volgens een Amsterdams politierapport is Van Offel zelf de auteur van dit lied. J.B. Clément en J. Darcier schreven ook een Canaille-lied (met de prachtige refreinregel: “C’est la canaille, et bien j’en suis”), maar dat lied heeft een andere structuur en werd later, in 1871, geschreven.

 

Meer over “Gij zijt Canaille” in het hoofdstuk “150 jaar geleden”.

 

 

Jean Baptiste Clément

 

Le Drapeau Rouge (oud Communelied) (1877)

 

In de verzameling socialistische liederen die kort na WO II door De Vlam te Gent werd uitgegeven in de Germinal-reeks, heet dit lied “Hymne au Drapeau Rouge”.

De schrijver van het lied is Paul Brousse uit Montpellier, student in de medicijnen, anarchistisch militant en lid van de Eerste Internationale. In 1872 moet hij Frankrijk ontvluchten. Hij verblijft in Barcelona en Zwitserland, waaruit hij – na verscheidene gevangenisstraffen – wordt verbannen. Daarna woont hij in Brussel en London. In 1880 keert hij terug naar Frankrijk, voltooit zijn studies in de geneeskunde, wordt leider van de Fédération des Travailleurs Socialistes (reformistische socialisten of “possibilisten”) en verscheidene keren verkozen als gemeenteraadslid in Parijs.

Dit lied brengt hulde aan de rode vlag als symbool van gerechtvaardigd verzet van de werkende klasse tegen onderdrukking door de eeuwen heen. Het werd geschreven in Bern in 1877 voor een manifestatie ter herdenking van de Parijse Commune (1871).

De hymne op de rode vlag kwam niet uit de lucht gevallen. Zoals Brousse zelf kon ervaren was de rode vlag en haar drager aan het hoofd van een arbeidersoptocht vaak het mikpunt van hardhandig optredende ordetroepen, zelfs in het “vrije” Zwitserland.

 

De tekst werd geschreven op de muziek van een populair Zwitsers patriottisch lied: de kantonnale hymne van Fribourg die getiteld is “Les bords de la libre Sarine”, en waarvan het refrein luidt: “armons-nous, enfants de l'Helvétie, marchons avec fierté, sachons mourir pour la Patrie pour lui garder sa liberté” , gecomponeerd in 1848 door Jacques Vogt (1810-1869) op een tekst van Marcellin Bussard. Ook dat was een gelegenheidsliedje, geschreven voor een schuttersfeest.

 

 

Paul Brousse

 

De Internationale(1871/1888)

 

- tekst (1871):  Eugène Pottier (Fr., 1816-1887, textielverver, dichter)

- muziek (1888): Pierre Degeyter (Bel., 1848-1932, fabrieksarbeider, koorleider, componist)

 

Lieve mei

 

- tekst: Karel Waeri (alias Cies Knoopelinckx) (Bel., 1842-1898, wever, ijzerdraaier… markt- & café-chantantzanger)

- muziek: “De Internationale”

                                              

Op de melodie van De Internationale schreef Karel Waeri een feestelijke ode aan 1Mei, hoop voor wie strijdt, troost voor wie lijdt. Leuk is dat Waeri in dit lied verwijst naar de waarschuwing die Napoleon Destanberg richtte aan de rijken: “Wat kan een gouden berg u schenken, wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?”

 

 

 

De kind’ren der fabriek

 

- tekst & muziek: trad., Vlaanderen

Over het ontstaan van dit lied is ons niets bekend. Het begint als een klaaglied maar stelt dan de profiteurs en veroorzakers van het kinderleed aan de kaak.

 

 

 

Spekulatie (ca. 1880)

 

- tekst: Karel Waeri

- muziek: trad.

Een van de vele satirische liederen van Karel Waeri.

Spottende aanklacht tegen de winsthonger die verleidt tot grote risico’s om grote winsten te realiseren.

 

De Vooruitgang (ca. 1883)

 

- tekst: Karel Waeri

- zangwijze: “Na lijden komt verblijden” of “Er is in Gent een voddenmarkt”, componist onbekend

 

Nog een vrolijk spotlied van Waeri. Hij ziet een snelle vooruitgang op velerlei gebied: techniek, handel, oorlogvoering. Maar wat heeft jan met de pet daaraan? Hij heeft nauwelijks geld om brood te kopen.

 

 

Karel Waeri

 

Mariannelied(1883)

 

- tekst: Olivier Souvestre  (1831-1896)

- Ned. vert. (ca. 1885) : Pieter Cornelis de Ruyter  (1855-1889)

- muziek: Léon Trafiers (Saint-Ferréol)

 

De Bretoense molenaarszoon Olivier Souvestre (Souêtre in het Bretoens) studeerde voor priester, kreeg een dégout van de sociale opvattingen van de Kerk, stootte op een lief meisje en begon een weinig succesrijke schrijverscarrière. In januari 1871, tijdens de opstand in Parijs, raakte hij als officier van de Federalen zwaar gewond. Hij kreeg een kogel in zijn hals; wat maakte dat hij aan een executie ontsnapte. Later kwam hij aan de kost als corrector bij een drukkerij (ha, dit keer eens géén letterzetter!) en klerk in een discontokantoor. Zijn revolutionaire, anarchistische liederen kenden veel succes bij de werkende klasse. Daarnaast schreef hij gedichten, theaterteksten en een roman.

 

Het Mariannelied werd een internationale hit, in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling werd geschreven door Amsterdammer Pieter Cornelis de Ruijter, een vriend uit het theatermilieu van de 11 jaar oudere Antwerpenaar Rik Van Offel. Ook hij is geëngageerd in de vakbeweging. Een korte tijd werkt hij bij de politie, maar wordt wegens “ongeschikt” ontslagen. Dan begint hij een rooie boekenwinkel en de Amsterdamse volksbuurt, de Jordaan. Het winkeltje gaat ten onder. De werkloze de Ruijter schrijft nog vele gedichten, onder andere in de gevangenis waar hij terecht komt wegens de belediging van de minister van justitie in een liedje. Hij wordt er mishandeld en wordt er ziek, krijgt de tering en sterft een jaar later, in 1889.

 

 

 

Stemrechtmarsch (1886)

 

 - tekst:  Eetje (Edward) Smol (Bel., ?-1925, cafézanger)

 - zangwijze: “Artevelde-lied” van François-Auguste Gevaert (Belg., 1828-1908)

 

Van deze tekst gebruiken we alleen tekstfragmenten. Het werd geschreven door Eetje Smol op de melodie van het “Arteveldelied” dat F.A. Gevaert componeerde op een gedicht van Destanberg. Gevaert componeerde talrijke Vlaamse en Franse liederen, maar hij was een internationalist en bestreed vurig de Vlaams-nationalistische muziekopvattingen van Peter Benoit.

 

Bij grote stemrechtbetogingen in Brussel in 1886 en 1890 speelden muziekkorpsen naast de Marseillaise en Le Chant du Départ ook dat Arteveldelied als een soort “nationaal” volkslied van de Gentenaars. In de betoging van 1890 viel een grote groep Gentse vrouwen op door de grote geestdrift waarmee ze Vlaamse socialistische liederen zongen. Zo getuigt een Nederlandse krant. De afdeling Leuven had een voorzanger, wiens schone stem een lied zong waarbij de gehele afdeling telkens inviel met de woorden “Dat zijn wij”.

 

 

Fille d’ouvriers (Werkmanskind)  (1890)

 

- Franse tekst: Jules Jouy  (Fr., 1855-1897, dichter, chansonnier)

- Ned. tekst: Eduard Jacobs (Ned., 1867-1914, pianist, cabaretier)

- oorspr. muziek: Gustave Goublier (Fr., 1856-1926, componist, orkestmeester),

- muziekaanpassing: Wolverlei

 

 

Kinderarbeid in spinnerij

 

Stem voor de socialisten

 

- tekst: Eetje Smol

- zangwijze: “De algemeene werkstaking”, onbekend

 

De wapens neêr (Broeders, laat ons de kazerne slopen) (ca. 1890)

 

- tekst: Rindert van Zinderen Bakker (Ned., 1845-1927, schippersknecht, timmerman, socialistisch politicus)

- muziek (ca. 1890): Henri Weyts  (Bel., 1868-1934, componist, dirigent)

 

 

 

 

De bankiertjes(ca. 1895)

 

-   tekst & muziek: Eduard Jacobs

 

 

Wij, spinsters van de vlasfabriek

 

(Het Continuesmeisje) (ca. 1900?)

- oorspr. Ned. tekst:  Henri Van Daele (Bel., 1877-1957, kopergieter, café-chantantzanger, vaste revuedichter van de Gentse socialistische beweging, “opvolger” van Waeri)        

- muziek: trad., Vlaanderen

 

 

Achturenmarsch(vóór 1919)

 

- tekst: Aimé Bogaerts (Bel. 1859-1915, onderwijzer, dichter, journalist, hoofdredacteur Vooruit

- muziek: componist onbekend

 

 

 

Aimé Bogaerts (beneden rechts) samen met een groep van de door hem opgerichte "Volkskinderen" op uitstap naar zee

 

 

 

Lied der vrijscharen(Partisanen vom Amur) (ca. 1920)

 

- oorspr. Russische tekst:   P.S. Parfenow (voor 1922), bewerking: S. Alymow

- Duitse tekst: Ernst Busch & Kuba

- Nederlandse bewerking: Wim van Houten

- muziek: trad. Russisch (uit de Russische burgeroorlog, oostelijk front)

 

 

’t Loon van den arbeid(1923)

 

- tekst: Chef van Dijk (Ned., 1892-1945, variététekstdichter)

- muziek: George Hofmann (Ned., ca. 1890 - ca. 1960, variétézanger, componist)

 

 

 

Lied der mijnwerkers(1927)

 

(uit het mijnwerkersdrama “Heer ohne Helden”, naar aanleiding van een staking van de Schotse mijnwerkers in 1926)

- tekst (1926): Anna Gmeyner (pseud.: Anna Reiner) (Oost./Brit., 1902-1991, schrijfster, dramaturge)

- muziek (1927): Hanns Eisler (Duits./Oost., 1898-1962, componist)

 

Stakingslied (1929)

 

(gecomponeerd voor agit-propgroep Das Rote Sprachrohr t.g.v. 10 jaar Komintern)

- tekst: Franz Jahnke & Maxim Vallentin (leider van Das Rote Sprachrohr),

- Ned. bewerking.: onbekend

- muziek (1929): Hanns Eisler

(er bestaat ook een tekstbewerking van Stephan Hermlin)

 

 

 

 

 

Uit zwarte nacht(jaren 1930)

 

- tekst: Margot Vos

- muziek: Annie van den Brink-Pothuis

 

 

Allons faire un tour à la banque / Bankenlied(1884 – 1931)

 

- oorspr. Franse tekst (1884): Jean-Baptiste Clément (Fr., 1836-1903, chansonnier, communard, ter dood veroordeeld in 1874)

- Duitse tekst: Walter Mehring

- muziek (1931): Hanns Eisler

 

 

Vielleichtlied (Rundgesang der Pachtherren) (1934)

 

Uit het theaterstuk Die Rundköpfe und die Spitzköpfe oder Reich und Reich gesellt sich gern (waarin de zetbaas van de machthebbers probeert werkelijke maatschappelijke tegenstellingen te verdoezelen met rare rassentheorieën)

- tekst: Bertolt Brecht (Dtsl., 1898-1956, dichter, toneelauteur, dramaturg)

- muziek: Hanns Eisler

 

 

Brecht en Eisler

 

Le chant des partisans (1943)

 

(lied van Franse partizanen gecreëerd in Engeland onder WO II)

- tekst (1943): Joseph Kessel (Fr./Lit., 1898-1979, schrijver, journalist)  en Maurice Druon de Reyniac (Fr., 1918 - 2009, schrijver, volksvertegenwoordiger, minister)

- muziek (1942): Anna Marly (Anna Betoulinsky) (Rus./Fr., 1917-2006, zangeres, dichteres)

 

 

 

Medley:

 

Bandierra Rossa: lied van o.a. Italiaans anarchisten vóór 1914, in de jaren 1920 wijd verspreid. De Italiaanse communisten op het 7de Wereldcongres van de Komintern in 1935 zongen het ook. Evenals de socialisten. Eerste optekening in 1908. Tekst: Carlo Tuzzi, op melodie van twee Lombardische volksliedjes.

 

Bella ciao: Italiaans partizanenlied uit WO II. Ook Bella ciao is afgeleid van een ouder Italiaans volksliedje.

 

Ay carmela (Viva la quince brigada): lied van Spaanse partizanen in het verzet tegen Napoleon I (1808), in 1936 (aangepast) lied van de republikeinen in de Spaanse burgeroorlog.

 

Met dank aan Jos Vandersmissen van de Werkgroep Doc.Com

die zich verdiept in de geschiedenis van het arbeiderslied en de sociale context.

 

Terug naar beginpagina